Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

Het begrip idealisme

Men kan twee soorten idealisme onderscheiden:

(1) gewone taalgebruik

→ een idealist is iemand die zich inzet voor een edel ideaal en desnoods bereid is voor zijn overtuiging te leiden

(2) filosofisch idealisme

→ het gaat hier om de prioriteit van de geest boven de stof (idee boven materie)

→ soms aanziet men de werkelijkheid van de materie als een illusie (parabel van de grot)

Morele idealisme ↔ egoïsme

Filosofisch idealisme ↔ materialisme

Lees meer...

De ongenadige kritiek van Kant

Kan stond voor het volgende kennistheoretische probleem: enerzijds zeggen de empiristen dat kennis uitsluitend van de zintuiglijke waarnemingen afhangt en dat lijkt erg waarschijnlijk, maar dan komen ze tot stellingen die het bestaan van alle materie ontkennen. Anderzijds zeggen ze de rationalisten dat je de zintuigen niet kan vertrouwen en dat je alleen met het verstand (de ratio, die Vernunft) kan kennen, en ook dat klinkt overtuigend. Maar hoe kan je de evidentie van de zintuiglijke waarnemingen volledig loochenen en hoe sla je een brug tussen de wereld van de geest en die van de stof?

De werkelijkheid op zich (das Ding-an-sich) zendt zintuiglijke waarnemingen uit die ons verstand bereiken. Ons verstand is echter geen onbeschreven blad, maar een gestructureerd instrument dat die waarnemingen in bepaalde aangeboren vakjes of categorieën plaatst. Echter nog belangrijker is het inzicht dat, dat ons verstand de zintuiglijke ervaring automatisch vervormt zodat we in feite over het Ding-an-sich niets kunnen weten (de gekleurde bril, contactlenzen).

Ding-an-sich → Noumenon

Ervaringen van de zintuigen → Fenonemen

Om dit duidelijk te maken onderscheidde Kant 2 sets van oordelen:

(1) analytisch oordeel ↔ synthetisch oordeel

  • analytisch oordeel = een oordeel, waarbij het gezegd al in het onderwerp zit

vb.: een hoge boom is een boom

  • synthetisch oordeel = brengt elementen uit de ervaring

vb.: Antwerpen is een havenstad

(2) empirisch oordeel ↔ a priori oordeel

  • empirisch oordeel = berust volledig op de ervaring, de onze of die van iemand die we kunnen vertrouwen
  • a priori oordeel = heeft meer nodig dan louter observatie

Dit leidt hem tot zijn kennisleer, waarin hij de (synthetische) ervaringen van de zintuigen verbindt met de (a priori) structuren van het verstand.

Kant’s bevindingen leidden tot grote wanhoop en zelfs tot zelfmoord: als er niets zeker is, zelfs niet het bestaan van God, zelfs niet de mensen en de dingen die ons dierbaar zijn, heeft het dan nog zin om verder te leven?

Om morele redenen is rechtvaardigheid nodig (geluk dat afhangt van de beoefening van de deugd). Deze rechtvaardigheid kan alleen maar door God worden verzekerd, en het is duidelijk dat we in dit leven deze rechtvaardigheid meestal niet ervaren. Dit bewijst dus moreel het bestaan van God en de onsterfelijkheid, en om deugdzaam te kunnen zijn is de vrije wil nodig, anders kan de mens zelf niet beslissen. We zitten dus op 2 verschillende niveaus:

(1) intellectueel niveau → diepe onwetendheid

(2) morele, praktische niveau → we aanvaarden het bestaan van God, de onsterfelijkheid van de ziel en de vrije wil en we kunnen onze moraal (het goed leven) opbouwen

Conclusie Kant

Vanuit het verder redeneren ( empirisme – rationalisme ) zijn er duidelijke verbindingen.

Kant beweert dat uitspraken die alleen maar zouden te maken hebben met datgene waar we empirisch niet bij kunnen, zoals het bestaan van God of het genieten van vrijheid, niet meer aan de orde komen, want ze vallen niet aan de uitspraken waar er sprake is van die verbinding ð malaise: vraag naar de zin van het leven, omdat deze vaak te maken hebben met deze laatste vragen.

Door deze malaise heeft Kant in zijn tweede werd het een en ander moet rechtzetten. Het is belangrijk deze twee te onderscheiden. Een filosoof die zich bezighoudt met de manier om tot betrouwbare kennis te komen, dat hij daarnaast ook aandacht heeft voor de ethiek, voor de rechtvaardigheid.

Hij stelt dat uiteindelijk rechtvaardigheid niet uit de wereld te bannen is ( cf Hume ) We mogen redenering deze dus niet koppelen aan bv religie, maar dat men puur verstandelijk tot deze constatie komt ( = het feit dat rechtvaardig noodzakelijk is ) ð terugkomen op het idee van een God, als zijnde de ideale samenleving. Hij komt dus tot constatie dat we niet tot deze rechtvaardigheid kunnen komen, als er gebrek is aan dit ideaalbeeld, aan God.

Het weerleggen van het bestaan in God in zijn eerste werk, zal Kant door logisch redeneren deze houding moeten weerleggen en het bestaan hiervan toch moet onderkennen.

Lees meer...

David Hume

Volgens David Hume (1711-1776) begint alle kennis met indrukken (impressions) die ideeën veroorzaken. Door de verbindingen van deze ideeën vergroten we de stof van onze kennis. We ervaren regelmatig dat een bepaalde indruk op een andere volgt, dit wordt zo vaak herhaald tot het een denkgewoonte is geworden is, en tenslotte een instinct.

De menselijke kennis probeert nu, uit de vele oorzaken van de natuurverschijnselen een paar algemene oorzaken af te leiden. Net zoals de Godsidee een samengesteld (complex) idee is, zijn het ik en de ziel bundels van ervaringen en gevoelens die voortdurend veranderen.

4 fundamentele redenen om rekening te houden met onrechtvaardigheid:

(1) willen we onze basisbehoeften bevredigen, dan zijn we afhankelijk van de anderen

→ rechtvaardiding

(2) we zijn beperkt op het vlak van naastenliefde en sympathie

→ in bepaalde situaties zijn afspraken noodzakelijk

(3) schaarste van goederen

→ afbakening van eigendom

(4) we hebben allen dezelfde basisbehoeften, desondanks de grote verdeling inzake welvaart

→ nood aan rechtvaardigheid

Conclusie

Door ervaring en observatie komt je niets over de werkelijkheid te weten.

Lees meer...

George Berkeley

George Berkeley (1685-1753) staat bekend als de radicaalste van alle empiristen omdat hij het bestaan van de materiële wereld verwierp. Materiële voorwerpen (vb.: een boom) bestaan alleen maar omdat en terwijl we ze waarnemen, in de waarneming zelf (zijn is waargenomen worden, esse est percipi).

Als we zeggen dat er voorwerpen bestaan, zeggen we eigenlijk dat we zien, horen, proeven, voelen, tasten of ruiken. Deze waarnemingen zijn echt, maar hoe kunnen we bewijzen dat er verder nog iets is?

Vb.: de proef met het lauwe water

Wanneer je ene hand heet is en de andere koud en je steekt ze allebei in het lauwe water dan is dat water warm voor de koude hand en koud voor de hete. Hoe kan dat water nu tegelijkertijd warm en koud zijn? Dus zijn hitte en koude slechts waarnemingen van ons bewustzijn, die niets met een werkelijkheid erbuiten te maken hebben.

Eerste besluit

Alle secundaire eigenschappen (Locke) zijn subjectief en behoren enkel tot de waarneming. Maar Berkeley gaat verder dan Locke. Neem nu de primaire eigenschappen die toch moeten bestaan? Je ziet toch de grootte van een voorwerp? Berkeley antwoordt daarop heel consequent dat je ditzelfde voorwerp van dichtbij voor groot houdt en van ver voor klein, en hetzelfde geldt voor de snelheid. We kunnen deze argumenten van Berkeley niet met het gezond verstand weerleggen, maar slechts door te wijzen op logische en empirische denkfouten.

Berkeley toont aan dat ook het praktisch gerichte empirisme tot logische extreme posities kan voeren, waar men vanuit een subjectief standpunt niet uitgeraakt.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen