Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

Utilitarisme en intermenselijke handelingscoördinatie

Het utilitarisme is een ethische doctrine: het vraagt aan actoren zo te handelen dat in hun utiliteitsfunctie de belangen van anderen mee worden verrekend

→ each counts as one and no more than one. Maar bij dezelfde personen kunnen verschillende behoeften een verschillend gewicht hebben. In die zin is het utilitarisme altruïstisch, want het vraagt te rekenen in het voordeel van jezelf en anderen.

Lees meer...

Welk soort preferenties

De standaardtheorie over de rationaliteit van actoren maakt de volgende vooronderstellingen:

  • Een persoon handelt rationeel als zijn preferenties rationeel zijn, en zijn preferenties zijn rationeel als:
  • Zijn preferenties transitief zijn.
  • Zijn preferenties compleet zijn: ofwel verkiest met x boven y ofwel y boven x ofwel staat hij indifferent tegenover beide.

Onder die voorwaarden zijn zijn preferenties geordend en kan men ze voorstellen als een utiliteitsfunctie van goederen die preferenties bevredigen.

Er zijn drie uitgangshypothesen van de standaardeconomische theorie:

  • Actoren trachten de utiliteitsfunctie te maximaliseren.
  • Het gedrag van actoren die hun utiliteit maximaliseren wordt gecoördineerd door het bestaan van markten. De maximalisatie van U brengt een aantal kosten mee. Een actor maximaliseert zijn utiliteit als de verhouding tussen de marginale waarde van twee gegeven goederen gelijk is aan de verhouding tussen hun kosten.
  • De preferenties van actoren zijn stabiel en onafhankelijk van prijzen en marktdistributie, dus wanneer een goed teveel kost zal men wel zijn gedrag wijzigen.

Die hypothesen van de standaardtheorie over rationaliteit zijn vanuit de normatieve hoek in vraag gesteld. Hier zijn een paar tegenwerpingen:

  • Het bestaan van erroneous preferences of foute voorkeuren: mensen kunnen zich vergissen in hun preferenties omdat ze onvoldoende informatie hebben. Soms kan consumptie van experience goods leiden tot een endogene verandering in de preferenties. Dit wil zeggen dat je als je een goed een tijd geconsumeerd hebt, je het toch niet meer zo geweldig vindt en het een lagere waardering krijgt waardoor je preferenties gaan veranderen.
  • Het bestaan van adaptive preferences: deze preferenties gaan de informatie vervalsen: mensen passen zich aan hun omstandigheden aan, en preferenties ontwikkelen voor datgene wat binnen hun bereik ligt, terwijl ze dat wat buiten hun bereik ligt niet willen. Deze adaptieve behoeften kunnen dus afwijken van de werkelijke behoeften.

Lees meer...

Gelijkheid van wat?

Egalitarisme slaat niet noodzakelijkerwijs op gelijke verdeling van goederen of bezittingen. Het slaat eigenlijk op de gelijkheid van lustbeleving of van nutservaring.

Utilitaristen die verder gaan dan de strikt utilitaristische beginselen, en daarnaast ook een egalitaire verdeling op zich een belangrijke waarde achten, verdedigen een egalitaristische variant van het utilitarisme. Dergelijke theorieën worden geconfronteerd met het probleem van de ongelijke kosten die de realisatie van min of meer gelijke nuttigheidsbalansen met zich meebrengt. Als men een gelijk nuttigheidsniveau beoogt dan is het best mogelijk dat de ene persoon daarvoor weinig en de andere persoon daarvoor veel of dure goederen voor nodig heeft. Dit noemt men het probleem van expensive tastes.

Het utilitarisme van Bentham tendeert ernaar om gelijkheid van welzijn (equality of welfare)te verdedigen. Mensen zijn gelijk als zij hetzelfde welzijnsniveau hebben (subjectieve gelukstoestand).

Andere mogelijkheden zijn:

- equality of wealth: men meet (on)gelijkheid naar het criterium bezittingen

- equality of resources: men gaat uit van de gedachte dat mensen gelijke kansen hebben wanneer zij gelijke hulpbronnen hebben

- equality of functioning capability: initiële ongelijkheden compenseren, men moet dus de nadruk leggen op wat mensen kunnen doen met hun middelen.

Wat mensen kunnen doen met hun middelen is niet herleidbaar naar lustervaringen.

  • afwijkingen van utilitarisme: niet meer welzijn maar preferentie centraal

Er zijn twee verschillende noties van welzijn:

  • Klassiek utilitarisme: hedonistisch: wat gemeten wordt zijn sensaties van lust of pijn en nuttigheid wordt bepaald door plezier/pijn.
  • Sommige latere utilitaristen: uitgangspunt is niet plezier/pijn, maar preferenties en strevingen (desires).

Welfare economics: welvaart is de totaliteit aan bevrediging van preferenties in de maatschappij. Maar hierbij moet men rekening houden dat de bevrediging van de voorkeuren verschillend is van het persoonlijk luststreven, want mensen hebben voorkeuren die hun persoonlijk luststreven niet dienen.

De meting van deze voorkeuren in tegenstelling tot lustgevoelens kan gebeuren door in plaats van een cardinale ordening een ordinale ordening te maken. Dit maakt het meten heel wat gemakkelijker. Men moet hier geen rekening meer houden met de criteriums maar wel met de subjectieve keuzen van mensen die blijken uit hun marktgedrag.

Het (moreel) waardevolle kan niet slechts berusten op psychische sensaties, dit illustreert Nozick met zijn experience machine. Mensen wensen een zekere persoon te zijn en zekere dingen te doen en niet eenvoudig ervaringen te beleven.

Lees meer...

Verdeling van de lust/onlust over een populatie

Kritiek op het utilitarisme:

  • Men kijkt enkel naar de totale lust, maar men heeft geen oog voor de verdeling van de lust en onlust (pijn) over een populatie (dus zou het toegelaten zijn om iemand te doden om de totale lust te maximaliseren).
  • Indien men alleen kijkt naar de totale lust zijn er grote sociale ongelijkheden toegelaten (individuen kunnen immers uit dezelfde kwaliteit goederen heel verschillende lusthoeveelheden putten).

Mogelijke oplossing: indien men niet naar de totale, maar wel naar de gemiddelde nuttigheid (average utility) als morele standaard neemt. Maar dit brengt terug een probleem met zich mee:

Wanneer men naar het gemiddelde kijkt dan heeft men geen enkel besef meer van het aantal individuen.

Sommige utilitaristen kennen een eigen waarde toe aan de verdeling van de nuttigheid. Drie mogelijkheden dienen zich aan:

  • Egalitarisme: een zo gelijk mogelijke verdeling van een zo groot mogelijke nuttigheid wordt de waardestandaard
  • Maximaal toegelaten nuttigheidsverschillen worden bepaald.
  • Een minimaal nuttigheidsniveau voor ieder individu wordt gegarandeerd

In elk van deze drie gevallen kan men niet mee over zuiver utilitarisme spreken omdat het wezenskenmerk ervan is prijsgegeven. Namelijk dat de structuur van de verdeling er naast nuttigheid, een zelfstandige waarde verwerft.

Overigens dient men er op te wijzen dat het utilitarisme vanzelf een zekere tendens naar egalitarisme (gelijkheidsstreven) bevat. Bentham was ook de 1e om de wet van het dalende grensnut te formuleren. Allocatie in de richting van de minder bedeelden, en dus een zeker egalitarisme, is vanzelf aanwezig in het utilitarisme.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen