Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

DE KOPERTIJD EN HET BEGIN VAN DE BRONSTIJD IN EUROPA

Inleiding

De kopertijd kunnen we algemeen aanzien als een overgangsperiode, waarbij continue elementen, zoals de nederzettingen en het vernieuwde megalitisme, en vernieuwingen, zoals de geleidelijke metaalintrede, elkaar afwisselen. Deze zijn echter erg streekgebonden. Hierbij waren Zuid- en Centraal-Europa zich op meerdere gebieden voortrekkers. Door die gebondenheid aan de vindplaatsen kunnen we Europa indelen in diverse cultuurgebieden en –complexen afhankelijk van de aanwezige ertsen.

In Zuidoost-Europa, in de gebieden waar vroeger de nederzettingen met hun huizen in gedroogde klei waren gebouwd op zogenoemde ‘tells’, worden nu langs de kusten en eilanden van de Egeïsche zee sites in steen gevonden op grote hoogtes, die dateren uit 3500-2500 v.C. Ze duiden op een geconcentreerde bewoning met sporen van kolonisatie door de aanwezigheid van druiven, olijven en de opkomst van de ezel. Zo is er Troje, waar we de vorming van elites zien aan de hand van rijke graven met goudsieraden en wijnserviezen.

In de rest van Zuid-Oost-Europa en het Euraziatische gebied, zijn er vele vierwielige wagens met volle houten wielen gevonden, hoogstwaarschijnlijk getrokken door runderen. Deze wagens bevonden zich vaak in een zogenaamde kurgan, een grote stenen grafheuvel die voorkwam in Bulgarije en het noorden van de Zwarte Zee, typisch voor elites.

Noord- en West-Europa zijn minder ertsrijke streken, waardoor enerzijds het neolithicum hier langer duurde maar anderzijds het megalitisme hier een rijkere en langere bloeiperiode kende. Het bekendste voorbeeld hiervan is Stonehenge, een constructie met grafheuvels die in verschillende fases doorheen het derde en tweede millennium werd opgebouwd. Opmerkelijk is vooral de avenue, een brede strook die uitkomt op de zogenaamde ‘Heel Stone’, die een belangrijke rol speelt bij de zomerzonnewende. De functie hiervan blijft echter nog onbekend. Ook befaamd zijn de trilithons, waarbij een steen zich bovenop twee verticale blokken bevindt. Deze zijn eerder ritueel, en niet funerair.

Het megalitisme uit West-Europa was ook wijdverspreid doorheen het Middellandse Zeegebied, tot aan de Myceense maatschappij met het Graf der Atriden. Gordon Childe zag in een inkerving van een ‘Myceense dolk’ in Stonehenge zelfs een direct verband tussen west en oost, maar deze theorie is intussen weerlegd. Andere megalitische bouwwerken zijn de nuraghi uit Sardinië, de torres uit Corsica en de Maltese tempels, zoals die in Tarxien.

Ook in Spanje zien we megalitisme, daar gaat het hand in hand met de eerste koperproductie, iets wat kan wijzen op de sociale implicaties van het metaal. In Zwitserland zijn er vondsten van steles, stenen menhirs met menselijke figuren erop. De man wordt afgebeeld met een wapenuitrusting, de vrouw met talrijke sieraden. De functie van deze steles is nog onbekend, afhankelijk van de onderzoeker worden ze getypeerd als goden, helden of voorouders.

Vanaf 3000 v.C. vormt Noord-Europa het centrum voor de Touwbekercultuur, gekenmerkt door aardewerk met afdrukken van gevlochten touwen. Deze zijn vooral gevonden in graven van mannen, samen met strijdhamers van gepolijste hardsteen met een centrale doorboring en dubbele snede. Ook hier ligt het graf onder een grafheuvel. De grafheuvels duiden op een verpersoonlijkte ideologie, de hamers zijn een aanwijzing voor een martiale maatschappij, waarbij de samenleving idealiter werd gezien als een oorlogsvoerende eenheid. Deze verpersoonlijkte ideologie staat in schril contrast met de vroegere collectieve bij het megalitisme.

De stap naar een volledig ontwikkelde bronstijd kenmerkt zich door de intensifiëring van voormalige netwerken van geplijste steen en amber in Europa. Deze netwerken handelen nu ook in tin en koper. Ook het tempo van ontwikkeling is heel opmerkelijk gedurende deze periode.

De grondslagen van de vroege metaaltijden zijn:

- De economische stabiliteit die vooral gekenmerkt wordt door landbouw en veeteelt.

- De sterke bevolkingsgroei die sociale competitie stimuleert.

- De vorming van elites, wat vooral zichtbaar wordt door de rijke graven. Het betreft leiders die zowel een seculiere als religieuze functie vervullen. Hun positie, en dus hun ‘macht’ danken ze aan de controle van de goederenflux, de controle van de technologische kennis en hun fysieke macht die ze in de verf zetten door het ideaal van de krijger.

- De groeiende en versterkende uitwisselingsnetwerken, waarbij vooral grondstoffen als koper en tin erg gegeerd zijn. Deze grondstoffen circuleren dan in de vorm van staven en huidvormige baren. Ook circuleert er zowel restafval, als afgewerkte producten.

- Het toenemende transport dat mogelijk gemaakt wordt door de nieuwe technologische kennis. Hierbij zijn vooral de vierwielige wagen, het transport via het water, uitvinding van zeevaardige boten, alsook de verspreiding van het zeil in de westelijke Middellandse Zee belangrijk.

- Ook de toenemende kennis over de wereld en bijgevolg ook over verafgelegen gebieden heeft invloed op de samenleving in de ideologie ( zie bijvoorbeeld de Ilias en de Odyssee)

- Kenmerkend is ook het oorlogsgedrag dat ook in de algemene ideologie belangrijk wordt. De eerdergenoemde elites hebben een grote bijdrage aan deze toenemende sociale competitie. Door de grote rijkdom van deze elites, neemt ook het verlangen naar luxe en exotische producten toe.

- Ook wordt de mobiliteit van personen steeds groter. Naast de mythische verhalen van het type Ilias en Odyssee zijn er ook recente vondsten. (cfr. Infra)

Lees meer...

Verklaringsmodellen van cultuurveranderingen

Tijdens de 19e eeuw zocht men naar modellen om de evoluties die men ontdekt had dankzij archeologische vondsten, te verklaren. De eerste die zich hieraan waagde was Oscar Montelius. Volgens Montelius waren de culturen en beschavingen in het oosten ( Midden-Oosten, Nabije Oosten) superieur, en hadden zij duidelijke invloed nagelaten op onze culturen. Vandaar ook zijn slagzin: ‘ex oriente lux’, wat zoveel betekent als ‘uit het oosten het licht’.

Zijn stelling is terug te brengen op drie elementen:

- Dat beschavingen in Europa slechts een zwakke afspiegeling waren ten opzichte van de grote rijken in het Oosten.

- Dat migratie en diffusie de grote motoren zijn van al deze evoluties

- Dat het concept van een centrum en een periferie hierbij duidelijk meespeelt

Een tweede die zich aan het verklaren van deze evoluties waagt, is theoreticus van de cultuurhistorische antropologie G. Childe (‘The dawn of European civilisation’ 1925, ‘The Danube in Prehistory’ 1929). Hij werkt de concepten van diffusie en cultuur verder uit. Cultuur is volgens hem een geheel van culturele kenmerken (bv. Grafrituelen, aardewerk of nederzettingsstructuren) die regelmatig in een bepaalde periode in een bepaald geografisch gebied terugkomen. Zo’n cultuur kan men dan verbinden aan een volk. Wanneer dit volk en deze culturele kenmerken echter verbonden kunnen worden aan mensen(-resten) met hun eigen specifieke fysieke eigenschappen, hebben we volgens Childe te maken met een ras. Diffusie krijg je volgens Childe wanneer een cultuur haar kenmerken gaat verspreiden. Een dergelijke verspreiding kan de vorm aannemen van individuele contacten of groepscontacten, via verplaatsing van geïsoleerde individuen zoals handelaars of via de migratie van volkeren.

Rond die notie ‘ras’ moet wel de opmerking gemaakt worden dat Childe, die altijd een marxistische inslag in zijn theorie rond de prehistorie stak, heel voorzichtig omsprong met de raciale insteek. Deze is eerder door de Duitse archeologie tijdens het eerste deel van de twintigste eeuw ontwikkeld, meerbepaald in de ‘Germanenforschung’ die door de nazi-ideologie werd aangewend. Een van de belangrijkste figuren hierbij was de Duitser Gustav Kossina.

Na de tweede wereldoorlog bleek al snel dat de theoretische concepten uit de cultuurhistorische archeologie niet voldeden. Er was met andere woorden nood aan nieuwe theorievorming. Die oplossing werd enerzijds door de opkomende Amerikaanse archeologie aangeboden, deels door de natuurwetenschappen en dateringtechnieken die de onjuistheid van de concepten van de cultuurhistorische archeologie bewezen. Zo werd bewezen dat de bewering van Gordon Childe, namelijk dat de Engelse megalieten een nabootsing waren van de Myceense, fout was, gezien men via de C14-methode aantoonde dat de Engelse megalieten ouder waren.

De New Archeology in de jaren ’60 gaf dus een andere invulling aan culturen en culturele veranderingen. Ze stond immers voor een meer holistische aanpak. Volgens aanhangers van de New Archeology is cultuur eerder een systeem bestaande uit verschillende subsystemen, zoals een materieel, economisch, technologisch, sociaal of religieus subsysteem. De veranderingen zijn meestal te zoeken in interne veranderingen in een of meerdere subsystemen, die andere subsystemen beïnvloeden en finaal het gehele systeem veranderen. Externe invloed was dus met andere woorden niet meer noodzakelijk voor de evoluties.

Lees meer...

De ontginning van koper en tin

Het koper zelf werd soms gevonden als erts, maar vaker als onderdeel van andere mineralen, zoals azuriet, malachiet, cupriet, … Dit gebeurde in mijnen, waarbij de technologie gepaard ging met de vroege ontginning van silex of vuursteen. Ook tin werd soms gewonnen in mijnen uit andere mineralen of gewassen uit alluviale afzettingen. Dit waren niet de enige metalen die ontgonnen werden, en zelfs niet de eerste. Zo zijn er sporen van goudwinning uit rivieren en mijnen. Door zijn plastische structuur en zeldzaamheid komt goud echter niet in aanmerking voor de productie van werktuigen.

De vroegste metallurgie vond plaats in het Karpatische bekken vanaf het eind van het vijfde millennium. Sporen hiervan vinden we ondermeer in Ali Bunar, in het huidige Bulgarije en in Servië, in Rudna Glava. Men maakte steeds diepere verticale schachten (twee tot vier meter) door de ertslagen voor de uitkap van gesteente voor de zuiveringsprocessen. Dergelijke schachten uit latere tijden zijn doorheen Europa gevonden, onder andere in Zuid-Ierland en in Cornwall.

Ook is er de vorming van diverse legeringen, zo zal in Oost-Europa arsenicumhoudend koper gebruikt worden, en in sommige gevallen wordt zelfs arsenicum toegevoegd. In West-Europa wordt in de late Bronstijd een ternaire samenstelling ontwikkeld op basis van koper, tin en lood, om zo een zachter metaal te bekomen.

De zeldzaamheid van de ertsen zorgde voor circulatie over grote afstanden, zowel van grondstof als van afgewerkte producten, en misschien wel van mensen. Zo is er het wrak van Ulu Burum aan de Turkse kust, dat toont dat het volledige oostelijke Middellandse Zeegebied in onderling contact stond. Hierbij vond men ossenhuiden van zuiver koper, die dienden als een te versmelten intermediair. Dergelijke ossehuiden werden gebruikt als vorm om koper te vervoeren.

Deze vaardigheid vraagt echter een zekere capaciteit in de vorm van een bronsgieter/smid. Deze heeft historisch gezien een groter aanzien dan de “vuile” ijzersmid, bijvoorbeeld in de mythologie. Gordon Childe ontwikkelde een theorie waarbij er een romantisch beeld werd opgehangen van een soort kaste of reizend broederschap als uitleg voor de snelle verspreiding van de techniek. Nu gaat men echter er van uit dat enkel de kennis zich verspreidde. De technologie stond dan onder controle van een dorpsgebonden persoon.

Ijzer

Rond 800 v.C. is er de opkomst van een nieuw erts, ijzer. Ijzer was onder de vorm van oxiden (hematiet) en sulfiden (pyriet) te vinden doorheen heel Europa. Ondanks de talrijke voordelen is dit erts later doorgedrongen omdat het productieproces een pak complexer is. In de eerste plaats vraagt het veel voorbereiding, zoals wassen en roosteren. Ook moet ijzer gesmolten worden op temperaturen rond 1100°C, in een gereduceerde atmosfeer, in laagoventjes. Maar eens men deze techniek meester was, kwam er een heel snelle verspreiding, in de eerste plaats in elitaire sites. Binnen de hiërarchische maatschappij had ijzer een sociale functie omdat het kwalitatief beter was.

Een spoor van de vroegste verwerking vinden we in Alaça Hüyük, rond 2500-2300vC, als onderdeel van de opkomst van de Hittieten uit het tweede millennium. Later verspreidde deze techniek zich via Cyprus en Griekenland zodat tegen de achtste eeuw voor onze jaartelling ijzeren zwaarden alomtegenwoordig waren (vb. Hallstatt).

Het ijzer werd gesmolten rond 1100°C in laagoventjes over heel Europa. Hiervan zijn echter weinig archeologische resten bewaard, daar dit proces zich bovengronds afspeelde. Door een afwisseling van houtskool en erts heen smelt het ijzer terwijl de temperatuur met behulp van een blaasbalg wordt verhoogd. Het smeltijzer komt in een kuiltje terecht waar men de afkoeling bereikt door de aanwezigheid van kalksteen. Dit kan nadien gesmeed en bewerkt worden.

Lees meer...

Verspreiding van koper en tin in Europa

Koper is echter relatief zeldzaam. De voornaamste vindplaatsen doorheen Europa zijn de Balkan, Transsylvanië, Bohemen en Moravië, de noordgrens van de Alpen en Westelijk Europa (Wales en Ierland). Hierbij dient men er mee rekening mee te houden dat het aantal tinrijke gebieden nog kleiner is, daar er slechts beperkte hoeveelheden te vinden zijn in Transsylvanië, de Balkan en op de Atlantische kust (Spanje en vooral Bretagne en Cornwall). Het bestaan van diverse ertsloze streken, zoals Noord-Europa, zou de culturele ontwikkeling in die gebieden sterk beïnvloeden.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen