Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

Het Eerste Metaal: koper, brons en ijzer

We zien een lange evolutie doorheen de tijd, beginnende met koper, dan overgaand naar brons (een legering van koper en tin) en ijzer. De ertsen waren echter niet alomtegenwoordig in Europa. Er waren vele gebieden die helemaal geen ertsen bezaten. De af- of aanwezigheid van ertsen was dan ook een bepalende factor voor de culturele geografie van Europa.

Koper en Brons

Technologie van het eerste metaal

Het maken van voorwerpen in de verschillende metalen vereiste een geavanceerde technologische kennis. Aanvankelijk werd gedegen koper gewoon behamerd. Pas vanaf het zevende millennium werd in Anatolië het proces geavanceerder. Door de erts op te warmen (500°C) kon men het koper soepeler bewerken. Om koper te smelten, en dus te gieten, is er al een temperatuur van maar liefst 1083 °C nodig. Pas vanaf het vijfde millennium werd dit mogelijk, opnieuw in Anatolië en (mogelijks op autonome basis) in Oost-Europa.

Die koper is niet altijd zuiver en bevat vaak sporen van andere metalen, zoals tin, arsenicum, lood, … Door ervaring kreeg men het inzicht dat men door het toevoegen van tin een nieuw product bekwam, dat gemakkelijker kon worden gegoten en op lagere temperaturen smolt (met 8% tin daalt de temperatuur naar 1000°; met 13% naar 830°). Niet alleen was dit metaal makkelijker te bewerken, het vormde ook een steviger metaal. Na een lang proces van trial-and-error ziet men een stabilisatie van het tinpercentage rond de 10%. Dit gebeurt rond de tweede helft van het derde millennium, opnieuw in de streek Anatolië.

Na het ontginningsproces wordt het brons opgewarmd in oventjes. Deze zijn klein en simpel, bestaande uit steen en houtskool en verwarmd door middel van een blaasbalg. De erts zelf werd in potjes en kroesjes gesmolten.

Aanvankelijk gebruikte men een enkelvoudige gietvorm. Dat is een mal met weinig reliëf, wat nuttig kan zijn voor de productie van priemen, bijlen en draden. Om het vormen van voorwerpen met volume mogelijk te maken werd overgegaan naar dubbele gietvormen, gevormd door twee mallen tegen elkaar te drukken. Zo creëerde men holle objecten, zoals een hulsbijl of lanspunt. Nadien dienden deze voorwerpen gepolijst te worden.

In de loop van het tweede millennium ontwikkelde men de techniek van ‘de verloren was’. Hierbij maakte men objecten in was, die een klei- of wasomhulsel kregen, waarna men overging tot het bakken. Men kreeg op die manier een holte met de correcte vorm om het gesmolten brons in te gieten. De laatste ontwikkeling is de productie van plaatsbrons, om zo niet-volle objecten te vormen, zoals vaatwerk of een harnas.

Lees meer...

De Fauna gedomesticeerde dieren

Europa behoudt zijn basis van gedomesticeerde dieren: runderen, schapen, geiten en varkens. De lokale dominantie is afhankelijk van de overwegende vegetatiesoort, met bijvoorbeeld meer geiten in het zuiden.

Twee dieren worden toegevoegd aan de lijst van gedomesticeerden.

  • Het paard (in het Pleistoceen reeds goed vertegenwoordigd) had zich teruggetrokken in de Euraziatische steppe. In het vijfde millennium vond er domesticatie plaats in Oekraïne of Kazakstan. Vanaf het derde millennium kwam het paard ook terug voor in Europa, waar het aanvankelijk werd geïntroduceerd als voedselbron, maar later (late bronstijd en ijzertijd) een opkomst kende als rijdier en trekdier, een evolutie die belangrijke sociale implicaties met zich meedroeg.
  • De kip werd rond het tweede millennium voor onze tijd vanuit Zuid-Oost-Azië naar hier gehaald. Zo zijn er sporen gevonden van kippen op Griekse vazen uit de zevende eeuw v.C. en op de site van de Heuneburg (600 v.C).
Lees meer...

De flora is onder te verdelen in een diversiteit aan zones over Europa.

  • In het Noorden treft men periglaciaire toendralandschappen aan. Kenmerkend is het open karakter van het landschap, met weinig bomen. Vandaag is dit landschapstype alleen nog te vinden in de uiterste periferie.
  • Iets zuidelijker, met name in het noorden van Scandinavië en het noorden van Rusland gaat het vooral om boreaal bos of taiga. De meest voorkomende bomen in dit landschapstype zijn coniferen en berken.
  • Het grootste deel van Europa bevindt zich vandaag in een landschap dat gekenmerkt wordt door gemengd loofwoud, met als belangrijkste boomsoorten de iep, hazelaar, linde, eik, els, en dergelijke meer.
  • Een heel ander landschapstype is te vinden in het zuiden van Rusland en het oosten van Europa, namelijk de steppe. Dit zijn semiwoestijnachtige gebieden met uitgestrekte open vlaktes.
  • Tenslotte hebben de kusten van de Middellandse zee een typisch mediterraan milieu
Lees meer...

Environnementeel Kader

Klimaat

Er vond een snelle verbetering van het klimaat plaats in de overgang van het Pleistoceen, (een tijdperk dat gekenmerkt wordt door zijn ijstijden), naar het Holoceen ongeveer 10 000 jaar geleden. De twee belangrijkste klimaatsperiodes voor de tijd die het vak Protohistorie omvat zijn het Subboreaal (5000-2700 BP) en het Subatlanticum (2700 BP-nu).

Het Subboreaal vormt een klimaat dat droger was dan het Atlanticum met een continentaal klimaat. In deze periode verschijnt de beuk, later gevolgd door de olm en de notelaar. Deze bomen vervingen in de eerste plaats de linde. De veenvorming uit het Atlanticum zet zich verder maar neemt af qua intensiteit. De impact van de mens stijgt echter: door de ontbossing voor de toenemende landbouw verzanden de gronden, wat leidt tot heidevorming en winderosie.

1620 v.C. vormt een sleutelmoment in de ecologische visie op de protohistorie door de vulkaanuitbarsting van de Thera op Santorini. De implosie van de vulkaan leidde tot een tsunami en droeg zo bij tot de verwoesting van de Minoïsche sites. Uit dendrochronologische sporen zien we een degradatie (vochtiger en kouder) van het klimaat, daar het vrijkomen van stof het zonlicht belemmerde.

Gedurende het Subatlanticum vond er een stabilisatie plaats die leidde tot het huidige klimaat. Hierbij werd het natter en kouder (rond de 16°C). In deze tijd kwam er een uitbreiding van zowel beuk als haagbeuk, zien we toename van de heidegrond en steeg de eolische activiteit. Het Subatlanticum begint wereldwijd met een nattere fase rond 850-750 v.C. Dit is te verklaren door een schommeling in de zonneactiviteit en in verband te brengen met het Hallstatt-plateau. Het Subatlanticum blijft een periode vol klimaatschommelingen. Zo kan men in Caesars ‘De Bello Gallica’ lezen over een besneeuwd Gallië.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen