Conjunctuurcycli
Periodes van zo’n 7 à 11 jaar. Men kan het beschouwen als de natuurlijke ademhaling van het systeem: er zijn expansie- en regressieperioden. Een soort van zelfregulering van het systeem. Deze cycli kan men aanduiden vanaf de 19de eeuw, maar vooral vanaf de 20ste eeuw zien we dat de overheid poogt deze cycli onder controle te krijgen.
De lange golven
Zo’n 50 à 60 jaar. De bekendste zijn de Kondratieff-golven. Terwijl het ene model nog aan het ontwikkelen is, wordt al de voedingsbodem gelegd voor het volgende.
Structurele crisissen
Er zijn er een aantal geweest. Het zijn geen conjunctuur-crisissen. Ze hangen samen met versplintering van het politieke landschap. De crisis van de jaren 1875-1895 is de eerste echte structurele crisis waarmee de maatschappij wordt geconfronteerd, veroorzaakt door het massaal goedkoop produceren voor een te klein publiek, waardoor er een verzadiging komt van de markt. De crisis van de jaren 1930 is de zwaarste crisis tot nog toe: werkloosheid, prijsveranderingen, etc. De crisis van de jaren 1975-1985 staat gelijk aan de oliecrisis. Ze heeft niet enkel economische maar ook sociale repercuties. Kenmerken van de structuurcrisissen: daling van de economische parameters, per definitie zijn ze internationaal, en er is een omslagperiode.