PROBLEEM VAN PARADOXALE COMMUNICATIE
- Gepubliceerd in Sociologie
- Reageer als eerste!
Gebruik van metacommunicatie, of de mogelijkheid om over een taal te spreken vanuit een ander taalregister
Gebruik van metacommunicatie, of de mogelijkheid om over een taal te spreken vanuit een ander taalregister
Onze intentionele binnenkant maken we kenbaar aan de ander aan de hand van taal.
Digitale taal: wat men communiceert
Hieronder vallen alle conventionele codes. De digitale taal bevat verbale codes, zoals woord en geschrift én tevens non-verbale codes, waarvan de betekenis éénduidig is.
De digitale taal omvat syntaxis elementen (grammatica, regels,...) daarnaast zijn er ook semantische elementen, de afgesproken betekenis die aan de codes worden gegeven.
Analoge taal: hoe men communiceert
Hieronder vallen alle niet-conventionele codes en het merendeel van de non-verbale communicatie, maar ook contextfactoren en psychosomatiek hebben een analoge betekenis.
Omdat de betekenis van analoge taal niet vastligt, zijn er meerduidige interpretaties mogelijk.
Metataal: communiceren over communicatie
Elke communicatie heeft altijd effect.
Elke communicatie bewerkstelligt:
Roozbeh Ahmadi Zadeh Yekta Samenvatting sociologie
Informatieoverdracht: t.g.v. de semantische en de syntactische aspecten
Gedragsbeïnvloeding: t.g.v. het pragmatisch aspect.
Pragmatisch communiceren betekent dan ook dat men deze effecten van communicatie kent en ze doelbewust aanwendt.
ANALOGE TAAL: GEUREN
• Geur: sommige dieren communiceren via chemische stoffen (mieren, nachtvlinders,
• Belang van feromonen
• Bijvoorbeeld zullen honden en katten in belangrijke mate communiceren via geuren (bvb urine)
• Mensen communiceren ook via geuren (vrouwen worden aangetrokken tot mannen via het feromoon ‘androstenon’
ANALOGE TAAL: TACTIEL
• Communicatie via direct lichamelijk contact
• Belangrijk communicatiemiddel bij hogere diersoorten, primaten en mensen
• Bijvoorbeeld vlooien bij apen is een manier om onderwerping aan te tonen of vrienden te worden
• Handen geven, zoenen, knuffelen als teken van vriendschap of communiceren dat je geen agressieve bedoelingen hebt
ANALOGE TAAL: OOGCONTACT
• Visuele communicatie via de ogen
• Zeer complex systeem van communicatie
• Bleek worden bij mensen is tonen van agressiviteit, dus communicatie; blozen is omgekeerde, de agressiviteit trekt weg
• Zich groter maken als teken van afschrikking, macht
ANALOGE TAAL: GEZICHTSUITDRUKKING
• Non verbale communicatie via het gezicht is het venster op de interactie tussen mensen
• Mensen nemen een ‘Gestalt’ waar en kunnen vrij gemakkelijk ‘gezichten onthouden’
• Blijheid, triestig, lachen enz… als belangrijke informatie over de innerlijke van de mens
• Glimlachen (positieve uitdrukkingen, maar ook tong uitsteken (negatieve uitdrukkingen)
• Aankijken als vorm van agressief dominant gedrag
ANALOGE TAAL: GELUIDEN
• Dieren verwittigen elkaar als een predator in de buurt is, ook tussen soorten onderling
• Baby’s huilen om hun moeder als iets niet in orde is
• Gebruik van hoge of lage tonen in gesprekken. Dominantie mensne gebruiken lage stemhoogte, omgekeerd, ondergeschikte gebruikt hoge stemhoogten
Roozbeh Ahmadi Zadeh Yekta Samenvatting sociologie
DIGITALE TAAL:MENSELIJKE TAAL
• Taal of de mogelijkheid van taal is aangeboren
• Door taal kunnen we complexe informatie met elkaar delen, dus het heeft een overlevingsfunctie
• Beïnvloeden van elkaar in sociale interactie neemt sterk toe als gevolg van taal. Dus, SOCIALE
INTERACTIEMOGELIJKHEDEN STIJGEN
• Mogelijkheid van taal hangt samen met de ontwikkeling van een complexer brein
Binnenkant
Datgene wat niet rechtstreeks waarneembaar is voor de ander. Het omvat bedoelingen, gewaarwordingen, belevingen, betekenissen, gedachten.
Mensen zullen echter slechts dan tot gewilde, bedoelde communicatie over gaan als ze een bepaalde intentie aan deze binnenkant hebben.
Buitenkant
Datgene wat we van de ander waarnemen. Het is datgene wat we zowel via woorden zeggen/horen als datgene wat we doen of niet doen/ zien of niet zien aan de hand van non-verbaal gedrag.
Overkant
Wat onze communicatie echt bewerkstelligt is niet voor de zender waarneembaar, het zit aan de binnenkant van de ontvanger; het effect van de boodschap.
Indien de ontvanger ons dit effect kenbaar maakt door middel van een boodschap, krijgen we feedback.
Context
Wederzijdse beïnvloeding vindt plaats op een bepaalde plaats, op een bepaald tijdstip.
Sociale relaties vormen de structurering van interacties. Om deze wederzijdse beïnvloeding te realiseren is de overdracht van boodschappen nodig, wat gebeurt aan de hand van communicatie.
Onderlingen verhoudinge geven een bepaalde zin aan de sociale interactie want in of doorheen de sociale interactie worden gevoelens, ideeën en strevingen uitgedrukt.
Mensen beleven een bepaalde groep op een bepaalde manier, interpreteren bepaalde interacties in de groep op een subjectieve manier.
Onderscheid bij de sociale verhoudingen:
1. Het denken
(1) In een interctieprocees speelt de perceptie an de ander een rol van betekenis. In het communicatieproces met de ander speelt de waarnmeing en de kennis van de ander een belangrijke rol.
(2) In menselijke interactie kunnen we aan kennisoverdracht doen. Kennis wordt overgedragen van mens tot mens of van groep tot groep. Kennis leidt tot intelligente sociale interactie.
Roozbeh Ahmadi Zadeh Yekta Samenvatting sociologie
2. Het voelen Emotionele processen spelen een rol in de sociale verhoudingen tussen mensen. De andere kan positieve of negatieve gevoelens bij iemand opwekken.
3. Het streven
Als individu streven we altijd bepaalde doelen na. Door middel van sociale interactie met de anderen proberen we bepalde doelen te verwezenlijken, of bepaalde behoeften te bevredigen.
Deze 3 elementen geven inhoud aan de sociale interactie, zeggen ons meer dan een loutere objectieve waarneming ons zou kunnen vertellen.
Als we naar de sociale interactie tussen twee of meer personen kijken, kunnen we vaststellen wat de aard van die interactie bepaalt aan de hand van frequentie.
We zouden als het ware de sterkte van de sociale relatie kunnen nagaan op basis van een objectieve observatie van de sociale interactie, zonder daarom enige kennis te hebben over de inhoud en/of de betekenisgeving van hun contacten.
Roozbeh Ahmadi Zadeh Yekta Samenvatting sociologie
Bales doet onderzoek naar kleine groepen, waarbij zijn aandacht uitsluitend gaat naar het aspect van de sociale betrekkingen. Via observatie krijgt Bales inzicht in de aard en de structuur van interactiepatronen bij kleine groepen.
Op basis van zo’n analyse kan een interactiogram worden opgesteld, waarmee de sociale betrekkingen in kaart worden gebracht.
Analyse van sociale interactie:
1. De frequentie van een relatie slaat op het aantal contacten tussen verschillende personen per tijdseenheid.
Een frequente realtie tussen bepaalde personen wijst op een zekere intensiteit van de relatie. Hoe frequenter de relatie , hoe intenser de relatie.
2. De regelmaat van de relatie heeft te maken met de voorspelbaarheid van de realtie in de tijd, namelijk of een relatie tussen bepaalde personen op een zeker tijdstip plaatsvindt.
3. De uitgebreidheid slaat op de hoeveelheid van de soorten situaties waarop de relatie betrekking heeft. Naarmate actoren meer interactie hebben met elkaar op basis van verschillende sociale situaties, kunnn we hun sociale interactie uitgebreid noemen.
4. De coördinatie van de sociale relatie is de mate waarin activiteiten van verschillende actoren, die met elkaar interageren, op elkaar zijn afgestemd. De mate vcan coördinatie kan wijzen op de mate van samenhang en de effciëntie binnen een organisatie om het doel te bereiken.
5. De richting van de interactie is de manier waarop de interactie plaatsvindt, en meer bepaald war het initiatief voor de interactie vandaan komt.
6. De directheid geeft zicht op de manier waarop de communicatie tot stand komt. Directe sociale betrekkingen steunen op directe fysieke contacten zoals praten, gebaren of andere vormen vand irecte persoonlijke aanwezigheid in de interactie.
Een sociale interactie is een concretisering van een sociale relatie tussen sociale actoren.
Niet elke interactie is voor sociologische interpretatie vatbaar, maar alleen die sociale interacties die een zekere duurzaamheid vertonen en betekenisvol zijn voor de sociale actoren.
In de sociale interactie zijn 2 aspecten te onderscheiden, namelijk de
1. feitelijke, zichtbare, fysieke, objectieve interacties die we sociale betrekkingen
2. de wederzijdse verhoudingen, gevoelens, interpretaties, strevingen, ideeën van de individuen die we de sociale verhouding noemen en waarbinnen de sociale betekenisgeving plaatsvindt.
Sociaal systeem is het geheel van sociale posities die met elkaar verbonden zijn door middel van sociale relaties.
Er vindt een internalisering plaats van de maatschappelijke normen en waarden, een soort van intern controlemechanisme waardoor mensen conform de maatschappelijke waarden en normen handelen uit zichzelf, vanuit een intern dwangsysteem.
Sommige systemen zijn van die aard dat ze een grotere mate van structurering vertonen en duidelijker kunne onderscheiden worden van andere sociale systemen. Die systemen zijn voor individuen van groot belang omdat hun dagelijkse functioneren in grote mate afhangt van de participatie aan die gestructureerde relaties.
Door de mate van structuring wortd de sociale interactie tussen sociale actoren zo standvastig en voorspelbaar dat we het systeem duidelijk kunnen afgrenzen van andere sociale actoren en systemen. Er ontstaat een grens tussen het sociaal systeem en de omgeving.
Als we het geheel van sociale posities en relaites visualiseren, dan komen we uit bij een klassiek sociogram dat de structuur van de posities van een bepaald sociaal systeem weergeeft.
Eeen organogram geeft binnen een organisatie de positie van boven-, onder- en nevenschikking weer.
Een genogram geeft het geheel van sociale posities en relaties van een gezin weer.
Een sociale klasse omvat alle mensen die eenzelfde of gelijkaardige plaats bekleden in het productieproces en daardoor dezelfde belangen hebben. De klasse ontstaat op basis van economische redenen, en meer specifiek de plaats die bepaalde belangengroepen innemen in het industriële productieproces.
De klassensamenleving is een open samenleving waar het mogelijk is door te presteren tot de hogere klasse te behoren. De belemmeringen liggen echter op economisch vlak.
Verticale en horizontale mobiliteit leggen de nadruk op de dynamiek binnen de moderne samenleving.
De sociale stratificatie kan aan de hand van een aantal variabelen weergegeven worden:
1. Inkomen
2. Rijkdom
3. Macht
4. Opleiding
5. Netwerken
Het begrip stand verwijst naar de maatschappelijke structuur waar een scherp onderscheid bestaat tussen de verschillende sociale groepen op basis van grondbezit en bloedverwantschap.
Anders dan het kastenstelsel, is een standmaatschappij niet geheel gesloten. Hoewel lidmaatschap van een stand overwegend op basis van geboorte gebeurde, was een stijging naar een hogere stand mogelijk.
Het gesloten karakter van een kaste volgt uit het feit dat het lidmaatschap erfelijk bepaald is en perosnen huwen binnen de eigen kaste. Het systeem wordt in stand gehouden en gelegimiteerd door religieuze wetten. De ongelijkheid in een kastensysteem, worden door deze religieuze wetten gelegimiteerd, waardoor de ongelijkheid niet aan persoonlijke verdiensten/persoonlijk falen wordt toegeschreven.
In een gesloten samenleving wordt de sociale positie en daarmee verbonden status toegewezen, wat betekent dat een persoon de sociale positie bekleedt op basis van intrinsieke kenmerken waarop het individu weinig tot geen vat heeft.
In dit soort samenleving vindt er weinig tot geen verticale sociale mobiliteit plaats op basis van individuele prestaties.
Een open samenleving of een meritocratische samenleving is een samenleving waarin de sociale positie en de daarbij behorende status verworven kunnen worden. Individuen kunnen deze statussen verwerven door individuele prestaties neer te zetten.
Horizontale sociale mobiliteit is een verandering van sociale positie zonder dat een grote verandering opwaarts of neerwaarts plaatsvindt in de hiërarchie van de maatschappelijk gewaardeerde posities of functies binnen een organisatie. De positie van de persoon behoudt ongeveer dezelfde waardering, ondanks het feit dat hij/zij een andere sociale positie bekleedt.
Verticale sociale mobiliteit betekent de opwaartse of neerwaartse verandering in de sociale rang van bepaalde personen, dankzij het innemen van andere sociale posities.
De sociale rang is de relatieve plaats van een sociale positie op de hiërarchische ladder van alle sociale posities in een bepaalde samenleving.
De sociale status van een sociale positie is de verschillende waardering tussen sociale posities.
De sociale strata is de verzameling van gelijkaardige sociale posities die allemaal een bepaalde plaats innemen op de maatschappelijke ladder.
De sociale stratificatie is de onderverdeling van de samenleving in verschillende sociale lagen van bovenschikking en onderschikking van personen met gelijkaardige sociale posities.
Sociale actoren met een gelijkaardige sociale positie bekleden een bepaalde sociale rang in het systeem van sociale stratificatie.
Loopbaanmobiliteit heeft te maken met de veranderingen van sociale positie tijdens de beroepsloopbaan van een individu.
Men past loopbaanplanning meer en meer toe in bedrijven en behelst het actief en bewust plannen van de carrière van de medewerker. Dit is een voorbeeld van bewust omgaan met de verticale mobiliteit.
Het vergelijken van posities tussen generaties noemen we intergenerationele sociale mobiliteit.
Posities die het individu toekomen op basis van zijn individuele prestaties, inspanningen, ervaring, ...
De positie wordt verworven door de eigen inbreng of inspanning van het individu en de erkenning daarvan door de anderen en/of de samenleving.
Zo komen we in het spanningsveld van tussen enerzijds objectieve en vaste criteria bij het bepalen van toegang tot een bepaalde positie en anderzijds het belang van prestaties en competenties. Promotiesystemen in organisaties zijn meer en meer gebaseerd op verworven ervaringen en/of capaciteiten ten nadele van klassieke objectieve criteria zoals anciënniteit of geslacht.