Oorsprong kapitaal handelssteden
- Gepubliceerd in Geschiedenis
- Reageer als eerste!
geluksfactor? Eerste handelaars waren avonturiers die rijkdom maakten (sommige van die avonturen beschreven in zgn ‘Heiligenlevens’
geluksfactor? Eerste handelaars waren avonturiers die rijkdom maakten (sommige van die avonturen beschreven in zgn ‘Heiligenlevens’
Intern
langzame verhoging agrarische productiviteit: overschotten konden worden verhandeld (meestal ging het om gespecialiseerde producten => ontstaan specialisatie)
Extern
omkering krachtsverhouding W-Europa- omliggende culturen:
- demografische groei
- groeiende pol stabiliteit (lokaal)
- stilvallen externe veroveringen
(~Industriële Revolutie):
- Handel neemt prominentere plaats in samenleving
- ingrijpende vernieuwingen: * transport
* handelstechnieken
* producten
* organisatie (boekhouding, kredieten, verzekeringen)
- Italië speelt rol Engeland tijdens IR
Het Europese wonder: de toegenomen autonomie der steden zorgde voor de ontwikkeling van een eigen samenlevingspatroon. Deel van dat patroon was het streven naar rijkdom dmv Handel. Gevolg: Europa komt weg uit achtergestelde positie.
- grote steden oefenden specialistische functies uit (groot verzorgingsgebied) à afhankelijkheid bepaald door hiërarchie van markten à grote steden – kleine steden – platteland à tot 3 à 5 niveaus
- geografen spreken i.v.m. bovenstaand punt over ‘concentrische modellen’, omdat de verzorgingsgebieden van steden op de kaart een reeks tegen elkaar aanliggende cirkels toont (met daarin kleinere cirkels à kleine steden)
- deze hiërarchie is het sterkst uitgebouwd in Noord-Italië: grote mate van autonomie à grote steden bevoordelen zich sociaal-economisch en politiek ten opzichte van kleine steden en het platteland – elders was er meer druk van de monarchale staten en ontwikkelden de machtsverhoudingen zich minder in het voordeel van de steden
DUS: Steden ontwikkelden eigen politiek-sociale constructies om gezamenlijke vitale belangen te behartigen à leidde soms tot marktsystemen met koloniale dimensies
à uitbreiding van macht territoriale vorstendommen à competentieconflicten; ook samenwerking
steden waren ook afhankelijk van het platteland: voedsel à veel burgers belegden hun kapitaal buiten de stad à marktgerichte teelt en inkomsten in de vorm van natura à steden oefenden macht uit over omliggende platteland
vooral de veiligheid van wegen vormde een aanhoudende zorg: tollen kunnen vrij vertaald worden als ‘protectiegeld’; op hun doortocht kwamen handelaars door vele verschillende heerlijkheden met soms willekeurige heren
vb. Rijnverkeer
- eerste verbond van Rijnsteden (1254)
- de volgende namen taken op zich die eigenlijk aan de koning waren voorbehouden: handhaving van vrede en recht (indien nodig door geweld: beperkte successen)
prioriteiten van steden waren vaak tegengesteld aan die van koning en adel: afspraken maken i.v.m. handelsverkeer, beschermen van handelaars à onderling afspraken maken
vb. Barcelona ontplooide in de 13de eeuw een ruim netwerk (in de westelijke MZ)
- behalve voor de handelsfunctie waren sommige steden ontstaan rond een kathedraal of bestuurlijk centrum (dienstverlening)
- grootste handelspolen genoten een ruime mate van autonomie tot in de 18de eeuw indien hun ontwikkeling vooraf ging aan de consolidatie van de vorstelijke macht
Kenmerken
- vanaf 13de eeuw: ambachtsgilden per beroepsgroep
- locatie bepaald door: wens om samen te klitten, grondprijs, nabijheid klandizie, aanwezigheid stromend water of hygiënische overwegingen (vb. verkopers van voedsel in één straat)
- aanvankelijk: georganiseerd door aristocratie à bedoeling: controle over ambachtslieden
- 13de eeuw (Vlaanderen, Catalonië): georganiseerd door ambachtslieden à bedoeling: bestrijden van onzekerheden (ook religieuze dimensie) vb. 14de/15de eeuw: tehuizen voor behoeftige leden DUS: organisaties vervulden functies die op het platteland door familiale huishouding werd vervuld
Organisatie op basis van :
- nabuurschap tussen leden
- belangen van overheden à ze erkenden de ambachtsgilden vaak als monopolistische beroepsgroeperingen (om de kwaliteit van de productie te verzekeren = belangrijk voor de handelaars!)
Reglementen, opgesteld door de stadsbesturen:
- werktijden
- technische voorschriften à dit leidde tot een stapsgewijze opleiding in de ateliers (ateliers hadden een uitgesproken familiaal karakter):
→ leertijd voltooid à ‘gezel’ = geschoold arbeider in loondienst bij een meester, kon zich in sommige gevallen kwalificeren voor: â
→ meester bij aflevering van een door een jury goedgekeurd ‘meesterwerk’
→ ambachtsmeester: gebonden aan een aantal voorwaarden die verduidelijkten dat dit niet voor iedereen was weggelegd (= tendens tot sociale afsluiting in economisch moeilijke omstandigheden vb. 14de eeuw, waarin ook de tendens tot erfelijkheid van de titel past – vgl. koopmansgilden!)
Ambachtsgilden: grotendeels zelfvoorzienend
= handig meegenomen voor de patriciërs (die ze tevens controleerden): zo hoefden ze niet zelf voor de ambachten in te staan bij crisissituaties
ð toch konden ambachtslieden net door deze organisaties gedachten uitwisselen en tot collectieve acties overgaan, vb. verlaten van de stad uit protest.
ð Reactie patriciërs: geval van Gent: lock-out: overeenkomsten tussen ondernemers om geen stakers in dienst te nemen)
Reactie
tegen 1300 verscherpten de sociale tegenstellingen in de steden (conjunctuuromslag) à acties
- soms kregen de belangrijkste vertegenwoordigers van de ambachten politieke medezeggenschap (zagen patriciërs als voorbeeld à ontwikkeling ‘arbeidersaristocratie’)
- in Vlaanderen was deze omwenteling radicaal door toedoen van de Guldensporenslag (psychologische invloed – stedelingen hadden een ridderleger verslagen)
- later ook in naburige gewesten navolging
Wat konden de ambachtslieden aanvangen met de nieuwe rechten?
- Beschermen levensstandaard
- Beperken van combinatie groothandel – ondernemerschap à sommige ambachtsgilden konden zich opwerken tot kleine ondernemers vb. de wevers in Gent
14de eeuw
- neergaande economische conjunctuur à ondernemers verplaatsen activiteiten naar dorpen (lagere lonen)
- reactie ambachtsgilden: verbodsbepalingen op nabootsing en import, erfelijkheid van meesterschap vastleggen in de statuten, maar deze maatregelen kunnen niet op tegen marktmechanismen à voorsprongsgebieden leggen zich deels toe op zeer hoogwaardige producten à desindustrialisatie ervan en industrialisatie van lage-loongebieden
Vrouwen
- werkten veelal, stonden onder voogdij (van hun man, broer …); enige manier om voogdij te ontkomen en mee te tellen in gilden is als weduwe
- specifiek vrouwelijk beroep: vroedvrouw à konden opklimmen tot meesteres in de gilde der chirurgijnen
Arbeiders die niet in ambachtsgilden zaten
(‘sluiten van de rangen’):
- gezellenverenigingen: na een tijd erkend, maar beperkter privileges
- Duitse Rijk: Wanderschaft der fahrenden Gesellen: jonge gezellen die langdurig rondtrokken (ook naar Italië)
- Talloze ongeschoolde arbeiders à zeer flexibele en onzekere werkgelegenheid à trokken noodgedwongen veel rond à maatschappelijk zwak (konden zich niet organiseren)
Identiteit van de middeleeuwse ambachtsman
hing samen met zijn ambachtsgilde (zijn sociale, politieke en economische rechten hingen ermee samen + ondersteuning in moeilijke tijden)
à sociale conflicten volgens de rivaliteit tussen sectoren, niet volgens klassenverschillen
Bestaan in de stad is uitermate kwetsbaar
- onhygiënische levensomstandigheden à epidemies, vb. verspreiding lepra
- bevoorrading van voedsel afhankelijk van oogst op het platteland
- ambachtslieden: afhankelijk van de internationale markt
Leven van de stedeling
leefde niet op het ritme van de natuur (seizoenen, licht en donker) à uit hun ervaringen rijpt een rationele, burgerlijke mentaliteit (week af van mentaliteit op het platteland). Voorbeelden:
- Geen eten? à ‘Rijken hebben er wel’
- Hoge prijzen grondstoffen? à ‘Handelaars zijn profiteurs’
Veranderde tijdsbesef:
- platteland: levensritme bepaald door natuur en kerk (feestdagen …)
- stad: stadsklok voor markering werktijden + 13de eeuw: mechanische klok à indeling dag in gelijke uren
=> besef dat de samenleving mensenwerk is en door mensen kan veranderd worden à proletariaat wordt mondiger (ook door toedoen franciscanen …)
Juridische structuur van de maatschappij
- verschillende categorieën stedelingen (burgers) die ieder onder eigen rechtsregels vielen
- massa die laagwaardige arbeid verricht en zeer mobiel is bij conjunctuurschommelingen
- categorieën lieden die onder andere juridische status leefden: geestelijken, edelen, leden hofhouding vorst, vreemdelingen, joden, moslims:
→ moslims vooral in Spanje, ook in de christelijke gebieden (lage sociale positie)
→ joden: vooral in mediterrane steden, in eigen wijken en onder bescherming van de koning of landsheer
→ Centraal-Europese steden: diverse etnische, religieuze of sociale categorieën in aparte aan elkaar palende steden
→ West-Europese steden: meer integratie van die categorieën
→ Slavernij, in Iberië en Italië (vooral als huispersoneel)
Sociaal – economische structuur van de maatschappij
- beroepsstructuur in grote steden was gevarieerder (dus meer specialisatie)
- ambachtelijke specialisatie in één sector alleen mogelijk op grote schaal, dus in de grote steden (vb. Gent: textiel)
- vermogen onderling lag zeer ver uit elkaar:
→ bankiers, groter handelaars ßà ambachtslieden
→ geschoolde ambachten ßà ongeschoolde
- vele kleine stadjes behielden een agrarisch karakter
Vroegste stadium
- inwijkelingen zijn van verschillende achtergronden; veelal het overbevolkte platteland ontvlucht
- grond- en banheren hebben nog invloed in de stad à sterke solidariteitsverplichtingen tussen de stedelingen à ceremoniële opname als ‘burger’ na één jaar en één dag: VRIJ!
- Vrijheid = ‘vrij van de verticale maatschappijstructuur van het platteland’ (afhankelijkheidsrelaties vb. heer – horige)’
- de stad is ‘horizontaal’ à iedereen gelijk = radicale vernieuwing in de toenmalige maatschappij
- invloed van christelijke religie? In alle geval zijn religieuze broederschappen uitdrukkingen van die gelijkheid.
Stad groeit
→ solidariteitsbanden worden bijgevolg kleiner
→ verschillen in economische activiteit versterken sociale ongelijkheid: ambachtslieden afhankelijk van kleine handelaars, afhankelijk van grote handelaars
Grote handelaars
- vormen nieuwe bovenlaag
- regelen import en export
- coördineren productieproces
- met het bekomen kapitaal kopen ze stukken grond en bouwen ze stenen huizen à grondprijs stijgt snel en spectaculair
- ze trachten adel na te bootsen, een stenen huis in het centrum = prestige (in Italië worden ze sneller in de adelstand opgenomen dan in het Noorden, wegens de uitstraling van de steden aldaar)
Koopliedengilden en –hanzen
- kern van de nieuwe bovenlaag
- onderlinge bijstand, bescherming op lange reizen, religieuze ceremonieën
- begin: volstrekte openheid tegenover nieuwkomers, conflicten tussen leden probeerde men te verzoenen
- 13de eeuw: van ‘verzoening’ geen sprake meer à blijkbaar zijn het al afgezonderde clubjes, ambachtslieden worden geweerd
- Waarom afsluitingsproces?: hoe groter het ledenaantal, hoe minder onderlinge solidariteit + verzadiging (eigen situatie veilig stellen – competitieve maatschappij)
- Stedelijke elite op basis van economische verschillen (vgl. feodale aristocratie)
- Stadsbestuur in handen van belangrijkste groep, hangt af van stad tot stad, vb. Brugge: Hanze van Londen, Leuven: gilde van de lakenhandelaren … dus ook politieke macht à patriciërs
2.XIII
neergaande economische conjunctuur
ð maatschappelijke groep net onder de patriciërs (meestal de ambachtslieden) komen in vele steden in opstand
ð zeer verschillende uitkomsten (soms in stadsbestuur, soms niet – hing af van getals- en machtsverhoudingen en de mogelijkheid tot coalitievorming)
Belastingen
- vooral geheven op verbruiksgoederen
- ambachtslieden wilden in de 13e eeuw reeds inspraak in de besteding van dit geld wat tot opstanden leidde
=> Daarom dwong de graaf van Vlaanderen om verantwoording af te leggen aan de ambachtslieden.
Openbare werken
- Ook belforten en stadshuizen werden gebouwd
- klokkentorens luidde bij begin en einde van de werktijden en dienden als uitkijkpost, uurwerk (zonnewijzer of mechanische klok) en schatkamer.
- Andere openbare bouwwerken waren kerken,handelshuizen, havens, bruggen, kranen, waterleidingen en fonteinen, wegen, kanalen en sluizen alsook markten en pleinen.
Sociale voorzieningen
- Kerken zorgden voor hospitalen, gilden en broederschappen voor wezen- en bejaardenzorg alsook voor goederenbeheer.
- Gevangenen en geesteszieken werden door de stad vastgehouden.
- Tijdens de 16e eeuw gaan de stadsbesturen de organisatorische functie meer op zich nemen. Ook de scholen werden nu meer door de stad opgericht.
Rechtspraak
- scheiding der machten werd pas rond 1800 ingevoerd.
- Schepenen registreerden ook private overeenkomsten en traden in deze zaken als rechter op.
- In Noord – Italië, Vlaanderen en aan de boven Rijn werden raden opgericht van ongeveer 100 vertegenwoordigers (ambachtslieden en burgerij). Zij beslisten mee over belastingsuitgaven en andere beleidszaken => Schepen was je voor één jaar, meestal waren dit gegoede burgers (opklimmen was moeilijk).
Samenwerking?
Steden waren als republiek de centra van de moderne samenleving. Inter-stedelijke samenwerking was zeldzaam en wisselvallig. Sommige grotere steden overheersten wel enkele kleinere uit de omgeving.
Stedelijk particularisme
Jaar – en – één – dag – regeling => nadruk op bekomen burgerschap => gaat ten onder aan eigen succes: stad wordt te groot
REACTIE: verzekeren van privileges voor kleine groepen: grote geslotenheid