Laat gehuwd
- Gepubliceerd in Geschiedenis
- Reageer als eerste!
Indicatoren:
Huwelijksleeftijd (V 26-28 jr; M 28-30 jr)
Indicatoren:
Huwelijksleeftijd (V 26-28 jr; M 28-30 jr)
In de vroegmoderne tijd 2-3% van de geboorten
Maar hoge prenuptialiteit (20 tot 30%): kinderen die voor het huwelijk verwekt zijn, geboren na de
huwelijksdatum, binnen 9 maanden na huwelijk. 1/5 tot 1/3 van de eerstgeboren kinderen
Ig (leunt aan bij 1): vergelijking met Huttenieten (Mormonen): huwen op jonge leeftijd , 14-15 jaar, +
natuurlijke vruchtbaarheid: gemiddeld 10-12 kinderen
AR: natuurlijke vruchtbaarheid, huwen op late leeftijd: vrouw: 26-28 jaar, man 30 jaar, 5-6 kinderen
Vandaag vrouw 27 jaar, man 29 jaar
Borstvoedingsgewoonten: tijdelijke steriliteit, van een half jaar tot een jaar. 9 maanden zwangerschap +
6-12 maanden: interval van anderhalf jaar
Misvatting: grote gezinnen
Type-gezin AR: kerngezin: 2-3 kinderen
Indicatoren:
BGC (30-50 ‰) Bruto GeboorteCijfer
TVC (5-6 kinderen per vrouw) Totaal VruchtbaarheidsCijfer: gemiddeld aantal kinderen per vrouw
maar hoge zuigelingen- en kindersterfte, slechts ½ kinderen bereikt de volwassen leeftijd
Economisch voordeel: sociale zekerheid, soort gezinsinkomen
Compensatie-effect
(Inter)Regionale Migratie:
-Stad/Platteland (arbeidsperspectieven, armenzorg)
uitz.18de eeuwse ruralisatieproces
-Seizoensmigratie (arbeidsgebonden)
-> Gewijzigde bevolkingsconcentratie
Internationale migratie:
-Internationale migratie (pol.strubbelingen, vb. Godsdienstoorlogen)
-Overzeese migratie (eco.motieven, kapitaal en kennis van de Zuidelijke naar de Noordelijke
Nederlanden)
-> Demografische repercussies beperkt
Kaart Overzeese migratie (J. Lucassen)
Stad: meer dan 10000 inwonders
1800: 350 steden : 10% van de Europese bevolking woonde in een stad
In het Ancien Régime nog slechts 5%
Nederland, België en Italië werden uitgekozen, omdat dit de meeste verstedelijkte gebieden zijn
Minder aantrekkingskracht van de steden in de 18de eeuw door de industriële ontwikkeling, ontstaan van
de plattelandnijverheid. In Vlaanderen linnennijverheid. Proto-industrie: op export gerichte
plattelandsnijverheid
Conclusie:
Verdubbeling van het bevolkingscijfer
Verschuiving van het zwaartepunt van de bevolkingsconcentratie
Urbanisatieproces (uitz.18de eeuw)
De Vries: vooral economische geschiedenis, Universiteit Berkeley, Nederlander, 1984 ‘European
Urbanisation’, ‘Economische groei in Nederland’ (met Ad van der Woude)
Frankrijk meest aantal inwoners in de vroegmoderne tijd
Zuidelijke Nederlanden: 1500: 1,25 miljoen, 1800: 3 miljoen
Stijging vooral in de 18de eeuw
Demografie
= discipline die zich bezighoudt met het bestuderen van de omvang, de samenstelling en de
ruimtelijke verdeling van de bevolking
Historische demografie = (veranderingen van) die fenomenen in de tijd
Externe demografie
o Reconstrueren en natellen van de bevolkingsevolutie
o Statistische bronnen, weergave op 1 bepaald moment bv. Volkstellingen
Interne demografie
o Studie van de eigenlijke gedragspatronen van een bevolking (geboorte, huwelijk, sterfte
en migratie)
o Dynamische bronnen bv. Parochieregisters, registers burgerlijke stand
Begrippen
o Componenten
o geboorte vruchtbaarheid
o huwelijk nuptialiteit
o sterfte mortaliteit
o migratie
o Resultanten
o natuurlijke groei: geboortecijfer – sterftecijfer
o reële groei: natuurlijke groei - migratiesaldo
Bevolkingsevolutie Europa
o er is een verdubbeling van de bevolking tot aan de vroegmoderne tijd; 1000-1500
o verdubbeling tot aan de nieuwste tijd: 1500-1800
o verviervoudiging in de laatste 200 jaar: bevolkingsexplosie
o 1348: zwarte dood
o 1500-1550: terug niveau van voor de epidemie
o 16de eeuw: stijging
o 17de eeuw: stagnatie
o 18de eeuw: stijgende lijn
o Daarna hele scherpe stijging
Qua aantallen zeker niet
Voor grote delen van het rijk zeker niet.
Qua organisatie misschien wel:
o grote en middelgrote ondernemingen in alle sectoren gebruiken slaven in sleutelposities
(zowel in verantwoordelijke als in (delicate) executieve posities)
o Groot aantal vrijgelatenen.
=> versterkt positie eigenaar / zaakvoerder
In alle mogelijke sectoren/ beroepen:
o ongeschoolde arbeidskrachten (vaak verhuurd door hun meester), dienstpersoneel,
ambachtslieden, handelaars, winkeliers, leraars …
o Mijnen:
· Zeer zwaar werk, gevaarlijk, ongezond
· Slavernij is de regel (vaak veroordeelden)
· Uitgestelde doodstraf.
In alle mogelijke verhoudingen
o geketend, als hulpje van de meester, als assistent van de meester, als
vertegenwoordiger, als gerant van een winkel, …
o Opmerkelijk: veel vrijgelatenen lijken hun meester op te volgen => vrijgelatenen van
vrijgelatenen
Niet overal !
o Italië: courant <=> Grieks-Romeins Egypte: uitzonderlijk
Soorten:
o ‘chattel slavery’: grote groepen, geketend, sterk repressief : in sommige periodes heel
belangrijk (bv. Romeinse ‘latifundia’ late Republiek) ; maar doorgaans uitzonderlijk, want
niet erg rendabel (hoge kosten bewaking, weinig gemotiveerd, Lange periodes van
inactiviteit (buiten oogstmaanden
o ‘familia rustica’: groep slaven op middelgrote domeinen (villa rustica): o.l.v. slaafopzichter
en ‘procurator’ (meestal vrijgelatene). Doen alles, worden in drukke periodes
aangevuld met seizoensarbeiders. Relatieve vrijheid, soms slavenhuwelijken, kinderen.
o Pachter-slaven (‘servi quasi coloni’): krijgen pachthof als ‘peculium’ en mogen dit voor
eigen rekening bewerking in ruil voor betaling van pacht => voordeel voor de meester:
‘pachter’ kan niet weg en totaal onderworpen
· Je doet dit best niet als je domein te ver weg is om regelmatig op inspectie te
gaan.
© Als de meester van huis is dansen de slaven.
· Je doet dit best niet in een ongezonde omgeving.
© Ze gaan dan veel te snel dood.
© En je investering is naar de maan.
© Je neemt beter vrijen dan en laat ze voor een hongerloon werken. Als ze
doodgaan neem je nieuwe aan.
Rendabiliteit:
o Nadeel eigenaar: slaaf vertegenwoordigt investering: moet worden aangekocht of
gekweekt => kost geld
o ~ randvoorwaarden: prijs van slaven (~ aanvoer), type van exploitatie (ideaal: extensieve
landbouw / veeteelt), …
· overal blijft ruimte voor vrije boeren, pachter, landarbeiders
Groot verschil met andere culturen : slaven geen etnische/raciale groep => onherkenbaar van
vrije personen
Konden / werden vaak vrijgelaten
Griekse steden: krijgen status van ‘vreemdelingen’ (‘metoiken’): geen burger maar wel
bescherming van de wet
Rome: vrijgelatene van een Romeinse burger, is zélf volwaardig Romeins burger
o Weinig beperkingen: mag geen politieke ambten bekleden, is vroegere meester ‘respect’
verschuldigd, …
· Men mocht geen magistratuur opnemen.
· Kinderen wel.
o Hoeveel vrijgelatenen ?
o Onbekend. Zowel in Griekse als Romeinse cultuur is vrijlating courant => veel (1 op 3 ???)
· Slaven motiveren, zeker als ze in belangrijke functies zitten.
· Als je goed werkt, dan laat ik je misschien wel vrij.
· Mensen een toekomst, perspectief geven.
· Handboek landbouwbedrijf.
© Als je slavin vier kinderen krijgt mag je ze vrijlaten.
© Je hebt er namelijk vier slaven bij voor de prijs van één.
© De slavin gaat toch nooit weggaan van haar kinderen.
De iure + ideologisch:
o Maken geen deel uit van maatschappij ; staan onder alle vrije personen
De facto:
o ~ status meester (bv. slaaf van de keizer, staatsslaaf, …)
o ~ feitelijke vrijheid (bv. slaaf die winkel mag uitbaten voor eigen rekening (peculium)).
o ~ beroep (bv. Vastgeketende landarbeider <=> dokter, leraar, …)
o ~ relatie meester (‘inhuisgeboren’ (‘verna’), vertrouweling <> slaaf-als-pachter (‘servus
quasi colonus’)
De iure (drie wettige manieren)
o Geboorte
o Oorlog (rechtvaardige oorlog)
o Veroordeling door rechtbank.
De facto (kon juridisch gezien niet)
o Vondelingen
· In Late Oudheid werd het wel toegestaan.
· Zo werden veel meer kinderen gered (waarom zou je het redden als je het niet
eens mag gebruiken ? Het geld groeit niet op de rug zenne.)
o Piraterij & banditisme
o Verkoop van zichzelf of van kinderen.
· Kinderen beschermd door burgerrecht.