De periode van Embryo
- Gepubliceerd in Psychologie
- Reageer als eerste!
Inplanting 8 weken van de zwangerschap (6 weken)
In deze periode gebeuren de snelste prenatale veranderingen en wordt de basis gemaakt van de interne structuren en organen.
Inplanting 8 weken van de zwangerschap (6 weken)
In deze periode gebeuren de snelste prenatale veranderingen en wordt de basis gemaakt van de interne structuren en organen.
Zygote = de bevruchte eicel
De periode van de zygote duurt ongeveer 2 weken: van de bevruchting innesteling
= 3 fasen:
1) Zygote
De zygote reist verder door de eileider en begint zich te dupliceren. Dit gaat eerst traag, maar gaat vervolgens heel wat sneller.
2) Blastocyst
Rond de 4e dag vormt het een uitgeholde, met vloeistof gevulde bal, genaamd de blastocyst. De innerlijke cellen, embryoblast genaamd, zullen de nieuwe organen worden. De uiterlijke cellen, of ook trophoblast genoemd, zullen zorgen voor de beschermende laag en de voeding.
3) Innesteling
Aan het einde van de eerste week begint de blastocyst zich in te planten in de baarmoederwand.
Eerst zal de trophoblast zich het snelst vermenigvuldigen. Het gaat een membraan vormen dat het amnion (vlies) wordt genoemd. Deze zal de ontwikkelende organen omsluiten in vruchtwater zodat de temperatuur constant blijft en een soort kussen als bescherming gaat vormen. Een dooierzak zal tevoorschijn komen die bloedcellen gaat aanmaken totdat de lever, milt en beenmerg genoeg volgroeid zijn om deze functie over te nemen.
Op het einde van de tweede week gaan de cellen van het trophoblast een ander beschermend membraan vormen, namelijk de chorion. Deze zal de amnion insluiten. Van de chorion gaan vlokken (villi) tevoorschijn komen. Wanneer deze vlokken zich in de baarmoederwand woelen, zal de placenta zich gaan ontwikkelen. Deze zal zorgen voor voedsel en zuurstof en ook voor de afvoer van afvalstoffen. Er zal een membraan gevormd worden die de uitwisseling van substanties zal toelaten, maar zal voorkomen dat het bloed van de moeder en van het embryo zich gaan vermengen.
De placenta is verbonden met de navelstreng (30 tot 90 cm lang). Deze navelstreng bestaat uit:
- 1 ader (voor het bloed + voeding)
- 2 slagaders (voor de afvalstoffen.
De prenatale ontwikkeling bestaat uit 3 perioden:
Periode | Duur | Gebeurtenissen |
Zygote | 2 weken |
|
Embryo | 6 weken |
|
Foetus | 30 weken |
|
Alle onderzoek in de ontwikkelingspsychologie laat alleen correlationele conclusies toe, geen causale inferenties. Maar causale informatie is toch wenselijk.
Vandaar: experimenteel manipuleren van ervaringen (bv. muzieklessen beïnvloeden IQ)
Indien de ontwikkeling dan beter verloopt, dan sterke evidentie voor causale samenhang.
Combinatie experiment en (vooral) longitudinale benadering komt steeds vaker voor!
Design | Beschrijving | Pluspunten | Minpunten |
Algemeen |
|
|
|
Correlationeel | De onderzoeker verkrijgt informatie over de deelnemers zonder de ervaringen te veranderen | Laat het bestuderen van relaties tussen variabelen toe. | Geen mogelijkheid om causale uitspraken te doen. |
Experimenteel | Er is een toevallige toewijzing van de deelnemers in de verschillende condities. In elke conditie is de onafhankelijke variabele anders gemanipuleerd. Vervolgens gaat met het effect van deze variabele op de afhankelijke variabele meten. Dit kan zowel gebeuren in een laboratorium als in de natuurlijke omgeving | Mogelijkheid om een oorzaak-en-gevolg uitspraak te doen | Wanneer het onderzoek plaatsvond in een laboratorium mogen de bevindingen niet veralgemeend worden naar de echte wereld. In veldexperimenten is de controle over de gemanipuleerde variabele moeilijker dan in een laboratorium. In natuurlijke experimenten is er een gebrek aan toevallige toewijzing en is het minder precies. |
Ontwikkeling |
|
|
|
Longitudinaal | De onderzoeker bestudeert dezelfde groep van deelnemers op verschillende leeftijden | Mogelijkheid om algemene patronen en individuele verschillen in de ontwikkeling en relaties tussen vroege en late gebeurtenissen en gedrag te bestuderen. | Leeftijdsgebonden veranderingen kunnen vertekend zijn door uitval, praktijkeffecten en cohort-effecten |
Cross-sectioneel | De onderzoeker bestudeert groepen van deelnemers die verschillen in leeftijd maar op dezelfde moment. | Efficiënter dan het longitudinaal onderzoek. Heeft geen last van problemen zoals uitval en praktijkeffecten. | Laat geen individuele studie van ontwikkelingstrends toe. Leeftijdsverschillen kunnen vertekend zijn door de cohort-effecten. |
Sequentieel | De onderzoeker doet verschillende cross-sectionele of longitudinale onderzoeken (= sequenties) op verschillende tijdstippen. | Laat vergelijkingen toe tussen longitudinale en cross-sectionele onderzoeken. Onthult cohort-effecten. | Kunnen dezelfde problemen hebben als longitudinaal en cross-sectioneel onderzoek, maar het design zelf helpt de moeilijkheden te identificeren. |
= verschillende studies (cross-sectioneel of longitudinaal) op verschillende momenten
= opeenvolgend onderzoek
Poging om verder te bouwen op de plus- en minpunten van de vorige designs
(1) Longitudinaal sequens
Een opeenvolging (= sequentie) van twee of meer longitudinale studies
Dus: meerdere groepen die een aantal jaren gevolgd worden
(2) Cross-sectionele sequens
Een opeenvolging (= sequentie) van twee of meer cross-sectionele studies
Dus: meerdere keren verschillende groepen vergelijken die van leeftijd verschillen op een zelfde moment in de tijd.
Pluspunten:
Minpunten:
= groepen die verschillen in leeftijd bestuderen op dezelfde moment in de tijd
Pluspunten:
Minpunten:
= zelfde groep bestuderen op verschillende leeftijden
Pluspunten:
Minpunten:
Bij een experimenteel onderzoek is het wel mogelijk om een oorzaak-en-gevolg uitspraak te doen. Dit doordat men gebruikt maakt van afhankelijke en onafhankelijke variabelen:
> Afhankelijke variabele:
> Onafhankelijke variabelen:
Bv. 5 en 4 jarigen werden naar een laboratorium gebracht samen met hun moeder. Één groep werd blootgesteld aan een onopgeloste ruzie waarbij twee acteurs de kamer binnenkomen en ruzie maken zonder dat ze hun ruzie bijleggen. De andere groep werd blootgesteld aan een opgeloste ruzie waarbij de acteurs hun ruzie bijlegden. (= onafhankelijke variabele) Daarna worden kinderen nogmaals blootgesteld aan een conflict tussen twee volwassenen en men gaat hier de reactie van de kinderen meten. (= afhankelijke variabele) Bleek dat kinderen die blootgesteld werden aan een opgeloste ruzie minder stress hadden en minder gelaatsuitdrukkingen lieten blijken dan kinderen uit de onopgeloste ruzie conditie.
Heel belangrijk bij een experimenteel onderzoek is dat de deelnemers toevallig toegewezen worden aan een bepaalde conditie!
Enkele varianten:
(1) Veldexperiment
Dit is een experiment in de natuurlijke omgeving, maar met toevallige toewijzing
Bv. een experiment in een kinderdagverblijf. In de ene groep wordt aan de verzorgster gevraagd om extreem zorgend, lief en behulpzaam te zijn. In de andere conditie werd haar gevraagd gewoon te doen (= controle conditie). Twee weken later creëerden de onderzoekers verscheidene situaties waarbij behulpzaamheid gevraagd wordt. Zo kwam er een moeder langs die aan een van de kindjes vroeg of ze even op haar baby wouden letten want ze moest dringend naar het toilet. Er was wat speelgoed uit de speelbox van het baby’tje gevallen en nu werd nagegaan hoe behulpzaam de kinderen waren. Zo vonden de onderzoekers dat kinderen die blootgesteld werden aan extreme behulpzaamheid van de verzorgster, ook veel behulpzamer waren in deze situatie en het speelgoed van het baby’tje veel sneller terug in de speelbox plaatsten.
(2)Natuurlijk experiment
Bestaande “behandelingen” vergeleken (bv. 2 scholen), groepen zo vergelijkbaar mogelijk. Door dit laatste verschillen ze ook van het correlationeel onderzoek.
Nadeel: ze kunnen niet de precisie en strengheid van een echt experimenteel onderzoek verkrijgen.
= informatie over individuen verzamelen en vervolgens kijken naar de relaties tussen kenmerken van de deelnemers en ontwikkeling.
Deze relatie gaat men vervolgens aanduiden met een correlatiecoëfficiënt:
> Getal = de samenhang tussen de variabelen (tussen +1 en -1)
> Grootte = de sterkte
> Teken = de richting
Nadeel:
Vb: We meten de opvoedingsstijl en IQ van de kinderen en gaan vervolgens na of er een relatie is tussen beide.
(1) Cross-cultureel onderzoek
(2) Etnografische methode
Samenvatting:
Methode | Beschrijving | Pluspunten | Minpunten |
Systematische observatie |
|
|
|
Naturalistische observatie | Observatie van gedrag in de natuurlijke context | Reflecteert het alledaagse leven van de participanten | Geen controle over de condities waarin parcipanten worden geobserveerd |
Gestructureerde observatie | Observatie van gedrag in een laboratorium, waarbij de condities dezelfde zijn voor alle participanten | Laat aan elke deelnemer dezelfde kansen om het gedrag of interesse te tonen | Levert geen observaties op van het typische gedrag van participanten in het alledaagse leven |
Zelfrapportering |
|
|
|
Klinisch interview | Flexibele manier van interviewen waarbij de onderzoeker een complete verklaring van de gedachten van de participanten bekomt. | Komt zo dicht mogelijk bij de manier waarop participanten denken in het alledaagse leven. Heel wat informatie kan zo verkregen worden op een korte tijd. | Kans dat het niet resulteert in betrouwbare informatierapportering. Flexibele procedures maakt het moeilijk om de antwoorden van individuen te vergelijken. |
Gestructureerd interview | Zelfrapporterings-instrumenten waarbij aan elke participant dezelfde vragen worden gesteld op dezelfde manier | Laat toe om de antwoorden van participanten te vergelijken en efficiënt data te verzamelen. Onderzoekers kunnen alternatieve antwoorden specifiëren waar participanten niet aan zouden denken in een open interview. | Houdt niet hetzelfde soort informatie in als het klinisch interview. Responsen kunnen nog steeds inaccuraat zijn. |
Klinische methode |
|
|
|
| Een volledig beeld van iemands psychologisch functioneren, verkregen door interviews te combineren, observaties en 'test scores'. | Levert rijke, beschrijvende inzichten in factoren die de ontwikkeling kunnen beïnvloeden. | Kan bevooroordeeld zijn door de theoretische voorkeuren van de onderzoekers. Bevindingen kunnen niet toegepast worden om andere participanten. |
Etnografie |
|
|
|
| De observatie van een individu van een bepaalde cultuur of uitgesproken sociale groepen. Dit door het maken van uitgebreide nota's in het veld. De onderzoeker gaat trachten de unieke waarden en sociale processen van die cultuur te vatten. | Biedt een grondigere en accuratere beschrijving dan kan bereikt worden door één enkel observatiebezoek, interview of vragenlijst. | Kan bevooroordeeld zijn door de waarden en theoretische voorkeuren van de onderzoeker. Bevindingen kunnen niet toegepast worden op andere individuen dan degene die tot die cultuur behoren. |
Deze techniek tracht een inzicht te krijgen in de percepties, gedachten, mogelijkheden, gevoelens, attitudes, geloof en vroegere ervaringen.
Mogelijk op 2 manieren:
Nadeel: ze krijgen nog steeds te maken met onwaarheidsgetrouwe informatie
Mogelijk op 2 manieren:
(1) Naturalistische observatie
(2) Gestructureerde observatie
Systematische observatie levert onschatbare informatie over hoe kinderen en volwassenen zich werkelijk gedragen, maar vertelt ons weinig over de redenering die daarachter zit. Hiervoor moeten we gebruik maken van zelfrapportering technieken: