Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

Eenvoudige economische kringloop

Zie figuur p 41!!!

  • Inkomenscreatie vindt plaats in het productieproces waar de toegevoegde waarde wordt gecreëerd.
  • Er is inkomensverdeling over de eigenaars van de productiefactoren (de gezinnen)
  • Er is inkomensbesteding door de gezinnen

De binnenste kringloop spreekt in termen van arbeid, goederen en diensten.

De buitenste kringloop spreekt in termen van geld.

Een andere belangrijke economische agent is de overheid.

Dit zijn zowel de centrale als regionale overheden.

  • De overheid bepaalt het wettelijke kader waarbinnen de economische agenten kunnen opereren.
  • De overheid maakt de maatschappelijke keuzes en voert deze uit. (het gaat hier om beslissingen met gevolgen voor de welvaart van een groot deel van de leden van de maatschappij tegelijk.)
  • De overheid neemt deel aan het productieproces door publieke goederen te produceren.

Dit zijn goederen en diensten die door hun aard en kenmerken niet zullen aangeboden worden op de private markt.

Private goederen: vb brood, een auto, een knipbeurt bij de kapper,…

Deze zijn voor private toe-eigening.

Wie er niet voor betaalt wordt uitgesloten.

De private goederen die ik consumeer zijn niet meer voor anderen beschikbaar.

Publieke goederen: vb openbare orde, nationale zekerheid, openbare verlichting..

Deze zijn niet uitsluitbaar.

Het is moeilijk om er een prijs voor aan te rekenen.

De overheid heft belastingen om de kosten hiervan te dekken.

Lees meer...

De economische kringloop en economische agenten

Een marktsysteem neemt de vorm aan van een economische kringloop.

De deelnemers hierin noemen we economische agenten.

  • Personen en instellingen die beslissingen nemen betreffende grootheden als de productie, consumptie, aan- en verkoop van goederen en diensten,…

Collectieve beslissingen: vb. beslissingen die de overheid neemt in de naam van de burgers.

Er zijn 3 soorten economische agenten:

- Gezinnen

- Ondernemingen

- De overheid

Gezinnen doen aan consumptie, ze zijn dus consumenten.

Om aan consumptie te kunnen doen moet je een inkomen hebben.

Het deel dat de consument niet gebruikt voor de aankoop van goederen en diensten wordt gespaard.

Vermogen: consumptie + sparen

Duurzame consumptiegoederen: goederen die meerdere keren gebruikt kunnen worden.

Vb. auto, meubelen,…

Productie: alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht en op de gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van de consument.

De input wordt hier omgezet in output.

Input

Productieproces

Output

Grondstoffen

Arbeid

Kapitaal

Verwerking

Goederen en diensten

  • Waarde output > waarde grondstoffen
  • Waarde output – waarde grondstoffen = Bruto toegevoegde waarde
  • Bruto toegevoegde waarde – jaarlijkse afschrijving = netto toegevoegde waarde = inkomen

Vb. kapper

Input

Productieproces

Output

Grondstoffen (shampoo, water,…

Arbeid (werk van de kapper)

Kapitaal (schaar, tondeuze,…)

Haar knippen

Geknipte haardos

Vb. timmerman

Waarde output: 125 000 euro

Waarde grondstoffen: 75 000 euro

Bruto toegevoegde waarde: 125 000 – 75 000 = 50 000

Waarde kapitaal: 100 000 euro

Levensduur: 4 jaar

Jaarlijks afschrijven: 25 000 euro (sparen voor een nieuwe machine)

Bruto toegevoegde waarde: 50 000 euro

Jaarlijkse afschrijving: 25 000 euro

Netto toegevoegde waarde: 50 000 – 25 000 = 25 000

  • Inkomen

Het productieproces leidt tot inkomenscreatie.

Het inkomen wordt verdeeld over de eigenaars van de productiefactoren (gezinnen).

Het inkomen wordt door de gezinnen besteed aan de aankoop van goederen en diensten.

Lees meer...

Specialisatie en arbeidsdeling

Arbeidsverdeling: iedereen bekommert zich om 1 welbepaalde taak en dus voorziet iedereen niet alleen in zijn eigen behoeften.

  • Dit leidt tot specialisatie
  • Dit leidt tot de ontwikkeling van specifieke kennis en vaardigheden

Vb. een vakman spendeert 1 dag aan het maken van een bed en een niet-vakkundige 20 dagen.

Door arbeidsverdeling en specialisatie hebben de individuele producenten een overschot van de goederen die ze produceren en een tekort aan andere goederen.

  • Ze moeten ruilen

Het ruilen van goederen vereist een efficiënte markt.

Er is nood aan maatschappelijke organisatie om te bepalen wat, hoeveel, waar, voor wie,… er geproduceerd mag worden.

3 economische stelsels geven antwoorden op deze vragen:

  • Traditioneel systeem:

De productie en verdeling verloopt volgens eeuwenoude regels.

Dit is bruikbaar is stationaire maatschappijen.

Het is niet aangepast aan nieuwe omstandigheden

Vb. timmerman: zoon, vader, grootvader,… zijn allemaal timmerman

  • Bevelsysteem:

Een centrale overheid bepaalt de productie.

Dit vraagt een gigantische informatieverzameling en verwerking.

Vb. de overheid verplicht mij om timmerman te worden (communisme)

In de gehele economie is dit onhaalbaar.

Dit systeem is niet aangepast aan de maatschappelijke behoeften.

Dit wordt wel toegepast in organisaties waar een kleine groep personen beslissingsmacht heeft. (directie, raad van bestuur,…)

  • Marktsysteem:

De productie wordt bepaald door de beslissingen van de individuele ondernemingen en gezinnen.

Men bepaalt zelf wat hij produceert in functie van eigen belang.

Onze economie: gemengde economie of sociale markteconomie.

  • Een combinatie van een markt- en bevelsysteem.

De overheid corrigeert het marktsysteem op een sociale manier (vb belastingen)

Lees meer...

Productiemogelijkhedencurve

- Grafische voorstelling van het keuzeprobleem voor de gehele economie.

Een economie wordt geconfronteerd met schaarste aan middelen en dus met de opportuniteitskost van de keuzes die gemaakt worden.

Deze curve geeft de grens weer van de mogelijkhedenverzameling in de economie.

= de grens van de verzameling van alle mogelijke producties

  • Alles op of onder de curve is haalbaar
  • Dalend owv de opportuniteitskosten
  • Concaaf owv de stijgende opportuniteitskost naarmate de productie van een goed stijgt.
  • Alle punten gelegen op de curve zijn efficiënt.

Inefficiëntie ontstaat als het mogelijk is om meer te produceren van een goed zonder minder te moeten produceren van een ander goed.

Dit kan vb door het niet gebruiken van alle productiemiddelen.

  • Het doel is om een punt op of boven de curve te halen.
  • De curve doen stijgen naar rechtsboven kan door:

- Het aantal productiemiddelen te doen stijgen

- Technologische vooruitgang

- Arbeidsorganisatie optimaliseren (arbeidsverdeling)

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen