Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

De studie van reële lonen

De studie van de reële lonen baseert zich op twee componenten: de nominale lonen en de kosten van het levensonderhoud. De lonen dienen uitgedrukt te worden in koopkracht. Hierbij gaat men op zoek naar de verandering in lonen, de verandering in consumptiepatronen ede prijsontwikkeling van consumptiegoederen.

Er komen verschillende problemen kijken bij dergelijk soort van onderzoek. Ten eerste zijn er steeds regionale verschillen. Daarnaast zijn er de conjuncturele verschillen en de sterke verschillen tussen arbeiders en de verschillende sectoren (geschoold, ongeschoold, ambacht, fabriek, ...). Ook bestaan er verschillen tussen de sectoren, waarbij de transformatiefasen duidelijk zorgen voor een vergroting van de ongelijkheden. Deze zouden echter opgelost worden naargelang het economisch veranderingsproces vordert.

Ook de representativiteit van de lonen is niet optimaal. Men houdt geen rekening met ziekte en werkloosheid, men maakt gebruik van groothandelsprijzen en niet met de prijzen die de mensen echt betaalden, er is geen plaats voor vergoedingen in natura. Ook wordt er geen rekening gehouden met het gezinsinkomen, de impact van de belastingen, schaarsheid van de kleinhandelsprijzen en de toenemende beschikbaarheid van consumptiegoederen.

Lindert en Williamson stellen dat de relatieve verschillen tussen arm en rijk sterk veranderen. Harrell en Humphries zien een langzame groei van het gezinsinkomen maar steeds groter wordende verschillen tussen de gezinnen.

Lees meer...

De sociale impact van de IR: een verhit debat onder historici

Het debat richt zich op twee centrale vraagstellingen: de evolutie van de absolute levensstandaard (= materieel) en de relatieve levensstandaard (= ongelijkheid).

Tot de jaren vijftig was er sprake van een optimistische visie. Clapham stelde aan de hand van loongegevens dat de reële lonen stegen met maar liefst zestig procent. Ashton bewees hetzelfde aan de hand van factoren zoals import en exportprijzen, woongelegenheid en voeding. Ten slotte hebben we een quote van Hayek: “While there is every evidence that great misery existed, there is none that it was greater than or even as great as it had been before.”

Na de jaren vijftig ontstond een meer pessimistische visie onder invloed van de Koude Oorlog (ideologische en fundamentele meningsverschillen over ongelijkheid). Hobsbawn en Thompson stellen dat prijzen en inkomens slechts partiële informatie bevatten. Ze gaan op zoek naar de mortaliteit, werkloosheid, voeding, leef en werkomstandigheden en de cultuur. Het is duidelijk dat de pessimistische visie meer kwalitatief is, waar de optimistische visie zich richt op kwantitatieve elementen.

Na de Koude Oorlog ontstond er meer oog voor diversiteit en de ervaringen van de arbeidersklasse en besloot men dat het noodzakelijk was om studies van het reële inkomen aan te vullen met andere dan loongegevens.

Lees meer...

De visie van tijdgenoten

De meeste wetenschappers uit die tijd hadden het over iets revolutionair met intense sociale en economische transformaties.

Friedrich Engels ontwikkelde in zijn ‘Die lage der arbeidende klasse’ een aanklacht tegen de industrieel, kapitalistische productiewijze. Hij schiep een geïdealiseerd portret van de pre-industriële arbeider en probeerde aan te tonen dat het proletariaat ontstond ten gevolge van het inruilen van spinnenwielen door de spinning jenny, waarbij een surplus aan garen ontstond. Hij zag fabrieksarbeiders als slaven, die in een slechte leefomgeving moesten zien te overleven.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen