Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

Paradoxen van de 18e-eeuwse literatuur

A. Overzicht van de voornaamste tendensen in de 18e eeuw

  • Einde verval hofcultuur
  • Opkomst burgerlijke cultuur: verantwoordelijk voor culturele vernieuwing
  • Aansluiten bij tendensen van de Renaissance en vermenging van aristocratisch cultuurideaal uit 17e eeuw met burgerlijke smaakpatronen

Erfenis van de 17e eeuw

Striktheid classicisme komt op helling; nieuwe kunstvormen: Pseudo-Classicisme (nog steeds academisch); duidelijker in 2e helft 18e eeuw met Rococo: verfijndere, barokke variant van het Classicisme: formele regels hofcultuur bijna volledig genegeerd, protest tegen autoritaire kunst doordat burgerlijke smaakpatronen meer doordringen in het cultuurleven. Rococo richt zich op de zintuiglijkheid, emotionaliteit en alledaagsheid van burgerlijke cultuur => frivole kunstvorm, gericht op ontspanning en verstrooiing.

Einde 18e eeuw: fracties van de burgerij willen een hernieuwde terugkeer naar zuiverheid en soberheid => Neoclassicisme: middel om burgerlijke genotcultuur in te dijken; eerder mentaliteit van Renaissance.

Vernieuwing in de 18e eeuw

Dominantie burgerlijke smaakpatronen in cultuurvormen: Verlichting en Preromantiek: liggen aan basis verdere ontwikkeling moderne literaturen.

B. Cultuursociologische situatie in de 18e eeuw

Crisis centrale gezag en verval classicistische hofcultuur

  • Classicisme te danken aan autoritaire regime Boubons: wordt niet meer zomaar aanvaard: hofcultuur Bourbons wordt afgebouwd (Franse Revolutie, Louis XVI). Kunstenaars moeten zich niet meer richten op koninklijk hof.
  • Afname maatschappelijk belang aristocratie in loop 18e eeuw.

Opkomst burgerlijke cultuur in 18e eeuw

  • Burgerij als nieuwe cultuurdrager: door toenemend belang op politiek en economisch niveau van de burgerij. Introductie lage smaakpatronen (materialistisch, genieten, niet prioritair) en kritisch pragmatisme. Versmelten levensstijlen culturele elitegroepen: burgerij imiteert grandeur en verfijning aristocratie; aristocratie gedraagt zich moderner (intimiteit, huiselijkheid)
  • Stad als centrum cultuurleven: zwaartepunt culturele leven in stedelijke culturele centra: salons van aristocraten, schouwburgen, bals, …
  • Verandering in smaak: Querelle des anciens et des modernes: twist tussen traditionalisten en vernieuwers beslecht in voordeel van de vernieuwers. Begin 18eeeuw:
    • Stroming die voorbeeldfunctie klassieke literatuur niet wil betwijfelen (de la Fontaine): cultuurpessimisten, perfectie van het verleden, geen verbetering mogelijk van de Klassieken (minderheid)
    • Stroming die van mening is dat schrijver grote persoonlijke inbreng moet hebben (Perrault): cultuuroptimisten, nieuwe vitale culturele ontwikkeling, op weg naar perfectie.
  • Verandering in smaak: architectuur en plastische kunsten:
    • Van majestueus (barok, rubens) naar frivool (pastorale kunst: natuur geeft geborgenheid): accentueren genotscultuur op vlak van architectuur en schilderkunst.
    • Van normatieve poëtica naar innige, speelse stijl (individueel, verliest ernst en maatschappelijke verantwoordelijkheid): alledaagse sentimenten (vb. huisdieren).

C. Rol en sociale basis burgerlijke ideeën

Nieuwe ideeën => Verlichting (pragmatisme, scepticisme en rationalisme)

=> Preromantiek (natuurlijke eenvoud, sentimenteel subjectivisme)

Nieuw klimaat met centraal 'vrije meningsuiting': in Europese hoofdsteden ontstaat discussiecultuur.

  • Verenigingen:
    • Academies: wetenschappelijk, eerder vakgroepen zonder patronage (Rousseau)
    • Salons (burgerlijk of gemengd): aanvankelijk enkel door aristocratie, in 18e eeuw ook door burgervrouwen; evolueerde van artistiek (17e E) naar politiek (18e E)
    • Leesgezelschappen: toenemende alfabetisering, boeken en tijdschriften lezen, verbonden met literaire café (informeler maar krachtiger) en boekhandels (uitleningen, uitwisseling commentaar)
    • Vrijmetselaarsloges: spirituele groepen met als doel een betere wereld te creëren. Rituelen en symbolen gaan terug op ME kathedraalbouwers, zetten alle ideologische en religieuze geschillen aan de kant; werd een gevaar voor politieke en religieuze overheden: tegen het christelijk geloof: "God heeft wereld gebouwd, mens moet verder bouwen".
  • Nieuwe media
    • Bloei boekbedrijf
    • Afname censuur: meer liberaal klimaat in Europa
    • Zedenkundige tijdschriften (over cultureel en politiek leven): burgerlijk moraal verspreiden, kritiek op politieke zeden Ancien Regime, informeren over goede smaak en mode
    • Spectatoriale tijdschriften: periodieke, journalistieke tijdschriften in navolging van 'The Spectator' (Addison en Steele): 'The Tatler', 'The Guardian', … Later werd de termijn korter.
  • Rol burgervrouw in 18e eeuw: de politieke macht in de 18e eeuw komt door manufacturen in handen van de mannen en betaalde krachten zorgen voor het huishouden. Vrouwen zijn dus opgesloten en gaan zich bezighouden met cultuur: brieven schrijven, musiceren, salons. Ze worden de grootste publieksgroep van de nieuwe literatuur.

Lees meer...

Classicisme (17e eeuw)

→ Frans verschijnsel

A. Inleiding

Periodisering en verspreiding

Hoogtepunten barok: Engeland, Nederlanden en Spanje tijdens de 17e eeuw. In Frankrijk blijft de barok marginaal: vanaf eind 16e eeuw is classicisme er de dominante stroming (naast het maniërisme) → Barokeeuw = l'age classique. Men kijkt in Frankrijk radicaal terug naar de Renaissance.

Vooral bij toneelschrijvers Racine en Corneille.

Bloei classicisme rond 1660. Vanaf 2e helft 17e eeuw en vooral in de vroege 18e eeuw invloed in Europa (met het classicisme komt ook de Franse taal over naar de rest van Europa)

  • In Engeland en Spanje: al in 2e helft 17e eeuw krijgt barok concurrentie van classicisme (Milton's klassieke gestrengdheid)
  • In het aristocratische kunstleven van Londen vindt classicisme en vruchtbare voedingsbodem (Dryden: late 17e eeuw; Pope: 18e eeuw)
  • Ook in later werk van Vondel en in Duitsland kent classicisme navolging.

Enkel werken rond 1660 zijn strikt classicistisch; later (vroege 18e eeuw) wijken ze zo af van de klassieke cultuur → pseudo-classicisme

Cultuurhistorische context

Frans classicisme: aristocratisch element (Renaissancesmaak: terugkeer) sterk benadrukt.

Reden: in eerste instantie cultuur van het (koninklijke) hof (absolutisme van de Bourbons).

Politieke situatie

Absolutisme van de Bourbons: succes door verzwakte staat na godsdienstoorlogen. Ook de cultuur werd nu centraal georganiseerd

Cultuursociologische situatie

Geestelijk imperialisme op alle gebieden van het maatschappelijke leven.

Vooral op vlak van sociale cultuurdragers is er een verschil met Renaissance.

Geboorte-adel vervangen door brevetadel: cultuurpatroon wijkt sterk af van dit van de oude aristocratie: inspiratie bij de Renaissance (cf. Castiglione): ideaalbeeld van de honnête homme, actualisering van het ridderideaal (plichtsbesef, trouw, verfijnd, …) → geradicaliseerd aan het hof van de Bourbons: ontwikkelt zich tot gedragscode van de gentilhomme: etiquette die bepaalt welk gedrag verplicht is voor de aristocratie, met als voorbeeld het gedrag in de saloncultuur van de Préciosité.

Levensstijl hofadel wordt maatschappelijk ideaal Franse elite en breidt zich uit tot een levenscode voor alle gegoede maatschappelijke groepen → ook leden van de burgerij gaan zich richten naar dit beschavingsideaal (Molière, Racine): daardoor zullen veel elementen van dit patroon het gedrag van de burgerij in latere periodes bepalen.

Kunstsociologische situatie

Louis XIV: 1 koning, 1 wet, 1 godsdienst, 1 cultuur. Cultuurimperialisme drukt zich uit in staatsreligie (opheffing Edict van Nantes), in een autoritaire hofcultuur en in classicistische kunstvormen.

  • Hofcultuur: organisatie artistieke leven komt in handen van de académies, centralistische instituties die verschillende kunstdisciplines reglementeerden; ze waren onderworpen aan een soort kunsttheorie
    • Académie de Peinture et de Sculpture: eerst vrije vereniging, wordt onder Le Brun een autoritair geleide staatsinstelling
    • Académie Française (1634, Richelieu): 40 deskundigen op literair gebied die de literaire productie reglementeert en consacreert (toekennen financiële middelen)
      → soort staatsmecenaat: grote macht over literatuur
    • Colbert: Surintendant des Bâtiments: stelde kunstproductie ten dienste van het vermarkten van monarchaal prestige. Zijn cultuurpolitiek draagt bij tot totstandkoming van de mythe 'le Roi Soleil': motor achter oprichting van de académies en onder zijn impuls wordt de koning de belangrijkste opdrachtgever (staatsmecenaat): paleis Versailles, Dôme des Invalides, uitbreiding Louvre, …
  • Classicistische normen: Académie de Peinture et de Sculpure verplicht het getrouw navolgen van de klassieke werken, zowel vormelijk als inhoudelijk. (Poussin)
    • Académie Française pleit voor strikte toepassing van traditionele vormwetten: eisen van de klassieke regels.
    • Klassieke regelesthetica: ultiem referentiepunt

B. Kenmerken

→ wijkt af van vernieuwingen uit Renaissance en barok

La querelle des anciens et des modernes

Kunstproducten uit die periode: onpersoonlijk en weinig creatief (slaafse navolging klassieke regels)

Eeuwige tegenstelling vernieuwers - traditionalisten versterkt doordat politieke machthebbers de traditionalisten steunen => spanning niet-officiële kunst (vrije, creatieve stijl: Rubenisten, navolgers van Rubens) - officiële, academische kunst (Poussinisten).

Zelfde spanningsverhouding in literatuur: La querelle des anciens et des modernes.

Deze situatie staat haaks op de neiging tot sterke individuele expressie in de Renaissance en barok.

Literaire kenmerken

  • Rationaliteit, discipline: streven naar orde en evenwicht (zeer radicaal): voornaamste kenmerk; voorliefde voor regelmaat op formeel en thematisch vlak
    • Voorliefde voor afgemeten, juiste verhoudingen op formeel vlak
      • Strikte compositiewetten: vb. Versailles: gevoel van overweldiging, discipline
      • Imiteren beste voorbeelden uit Oudheid: imitatio
      • Thematisch vlak: aandacht voor het psychologische, conflict tussen verstand en affect (Racine)
        • Streven naar personages uitbeelden die blijk geven van verstandelijke controle over hun affecten (in relatie met rationaliteit: past goed in nieuwe cultuur: zelfdwang, zelfbeheersong)
        • Plichtsbesef en verantwoordelijkheidszin personages vaak centraal

Ook op gebied van filosofie en religie: hang naar rationaliteit, orde en evenwicht (Descartes, Pascal)

  • Regelpoëtica: normatieve kunstleer, systeem van esthetische normen dat aan KO ontleende regels vastlegt waaraan het goede kunstwerk dient te beantwoorden. Klassieke esthetische regels (wet van de 3 eenheden): basis rationele discipline van de kunstenaar.
    In de barok en Renaissance was poëtica een instrument waarmee kunstenaar kunstwerken ontwierp, met als uitgangspunt de geest van de klassieken
    • Renaissance: elementen hernemen van de heidense levensstijl uit de Oudheid
    • Barok: spanningsverhouding uitdrukken tussen christendom en heidendom

De invloedrijkste verwoording van de classicistische regelpoëtica: Nicolas Boileau (1637-1711) Art Poétique (1674): gedisciplineerde esthetiek, die vorm en inhoud van de kunstwerken aan regels onderwerpt. Classicistische kunst is niet gericht op normdoorbreking, maar op normbevestiging, het cultiveren van vaste gewoontes.

  • Theater: wet van de 3 eenheden (Aristoteles) verplicht: eenheid van plaats, tijd en ruimte
  • Vraisemblance: eis van geloofwaardigheid of waarschijnlijkheid: door de wet van de 3 eenheden de waarschijnlijkheid van het voorgestelde garanderen
  • Bienséance: geheel van morele voorschriften en beleefdheidsconventies: voorstellen van beschaafd gedrag: kunst geeft het voorbeeld. Alledaagse situaties en taal moeten dus vermeden worden
  • Relaties tussen personages moeten conform de Franse sociale hiërarchie zijn
  • Taalzorg: men wil de Franse taal hanteerbaar maken (lijkt op hedendaags Frans): vastleggen van het klassiek Frans: taal gezuiverd van dialectismen, archaïsmen, en wordt helder, soepel en genuanceerd. Belangrijke rol Académie Française, en enkele grote auteurs (Descartes, Pascal, de Malherbe)

C. Vertegenwoordigers

→ vooral theater, redevoeringen, welsprekendheid

Enige relevante classicistische genre: drama: Corneille, Racine, Molière

Pierre Corneille (1606 1684)

Kwam vroeger dan de rest: minder gedwongen

Blijspelen en tragedies: Le Cid (1636), Horace (1640), Cinna (1640), Polyeucte (1643)

  • Verhaalstof vaak ontleend aan Romeinse geschiedenis met toevoeging van nevenintriges.
  • Thematische constante: helden proberen met wilskracht en hartstocht idealen te verwezenlijken: liefde tot God (Polyeucte), vaderlandsliefde (Horace), vergevingsgezindheid (Cinna). Morele conventies worden publiek bijgebracht op didactische wijze.
  • Formeel: wijkt soms af van wet van de 3 eenheden: stijl kenmerkt zich door retorisch, gezwollen taalgebruik

Jean Racine (1639-1699)

Tragediedichter: Britannicus (1669), Bérénice (1670),…

  • Thematische constante: held kampt met onvermogen hartstochten te temperen: conflict tussen rede en passie maakt leven ondraaglijk => meestal keuze voor bevijdende dood. Beschrijft geïntellectualiseerde hartstocht.
  • Formeel: strengere toepassing klassieke compositiewetten: tragische handelsmoment geconcentreerd op crisismoment mensenleven. Eleganter, soberder en poëtischer taalgebruik als Corneille. Ook beheerster: aanspreking met seigneur

Molière (J.B. Poquelin 1622-1673)

Eigen theater (Illustre Théâtre: 1643), acteur bij reizend gezelschap, nauwe band koningshof, vooral bekend van blijspelen. Qua intrige niet echt vernieuwend, wel verfijnde psychologische karaktertekening (types als hypocriet, vrek): geven panoramisch beeld van zijn tijd

  • Vroege werk: kluchten, maatschappelijk satires: hekelt wantoestanden in saloncultuur préciosité (les précieuses ridicules, 1659). Toch normbevestigend
  • Rijp toneelwerk: Komedies over liefde en ontrouw (L'école des maris, 1661), over hypocrisie van de opvoedingsinstanties (L'école des femmes, 1662), over de pose van de vroomheid (Tartuffe ou l'imposteur, 1664), over een intellectualistisch sociaal type dat intersubjectieve afhankelijkheid ontkent (Le misanthrope, 1666), psychologische komedies (Comédies de caractère) en zedenkomedies (Comédies de moeurs)
  • Later werk (onder mecenaat Louis XIV): ontspanningsstukken met afgezwakte sociale kritiek en nadruk op komische effecten.Sommige stukken opgeluisterd met muziekfragementen behoren tot comédie ballet (le bourgeois gentilhomme 1670, les femmes savantes, 1672, Le malade imaginaire, 1673)

Andere genres:

  • Functionele literatuurproductie (ondergeschikt aan absolutistische idealen): redevoeringen en welsprekendheidliteratuur (Bossuet 1627-1704)
  • Literatuurproductie in het kader van maniëristische hofcultuur: brieven, maximes
  • Didactische roman: François de Fénelon (1651-1715), Télémaque (1699)
  • Lyriek van François de Malherbe (1555-1628): beste vb. classicistische poëzie

Lees meer...

Verschillen tussen Maniërisme en Barok

Verschillende doelgroep en smaakpatronen

  • Maniërisme: stijl van de aristocratie
    • Komt voor in aristocratische hofhoudingen in verschillende Europese landen
    • Belangrijk model: Franse maniëristische stroming La Preciosité (begin 17e eeuw): eerder een cultuurverschijnsel dan een literaire stroming

- Belichaamd in saloncultuur

- Literair salon: voordragen literair werk en uitwisselen bon mots

- Beoordeling kunst en onderhouden smaakconventies: gemonopoliseerd door salons: bemiddelen tussen kunstproducenten en -consumenten (vermits beide groepen elkaar ontmoetten in de salons)

  • Intellectualistisch smaakpatroon: etaleert een grote culturele bagage (voor kenners)
  • Barok: cultuurvorm gesteund door Kerk en burgerij (later ook aristocratie)
    • Kerk steunde kunst die groot publiek aansprak (burgerij)
    • Burgerij is als doelgroep dubbelzinnig: aardse, alledaagse smaak en sterk moralistisch-religieuze attitude.
    • Barok= gevoelsgerichte en meer populaire smaak

Verschillende genrevoorkeuren

  • Barok: voorliefde epos en drama: burgerlijke genres, gevoelsgericht maar populair
  • Maniërisme: voorkeur kleinere epiek (epyllion, sprookje, briefliteratuur, novelle), gnomische genres (maximes) en lyriek: verfijnde smaak aristocratie, intellectualisme

E. Vertegenwoordigers

Maniëristische poëzie

  • Don Luis de Gongora Y Argote (1561-1627) en Giambattista Marino (1569-1625):
    • Intellectualistische poëzie
    • Beïnvloed door Latijnse lyriek en humanisme
    • Beeldspraak geïnspireerd door antieke mythologie
    • Grote vormvirtuositeit: versieringen
  • Marinisme en Gongorisme (16e - begin 17eeeuw): pejoratieve benaming voor epigonen van bovengenoemde maniëristen
    • Overdrijving: overbluffen op thematisch vlak: veel goden, nimfen
    • Intellectualistische gekunsteldheid, gezochte verwijzingen naar klassieke cultuur (overbluffen met eruditie)
    • Te sterke benadrukking vormelijke
  • Metaphysical Poets: John Donne (1573-1631)
    • Term metafysisch is misleidend: kregen dit epitheton door intellectualisme (woordspelletjes) en hun neiging tot persoonlijke reflectie (filosofisch en religieus) nadenken over sterfelijkheid mens, …
    • Ondanks spiritualistische inslag, ook wereldse, vitalistische inslag (aards, soms boertig, ook pessimisme en twijfel)
    • John Donne (The Anniversaries): verwerkt in lyriek vitalisme en pessimisme: elegie over dood van een jong meisje, waarin weemoed en liefdesextase worden vermengd. Thematiek werk wordt beheerst door vergankelijkheid en versplintering van de wereld

Gnomische vormen, brieven, maniëristische roman

  • Maximes: literaire vorm waarin Préciosité-cultuur zich bij uitstek toont: François la Rochefoucauld
    • Gnomische vorm, verwant aan aformisme (spreuken, levenswijsheden)
    • Spitsvondige of humoristisch geformuleerde definities en spreuken
    • Gedragsregel omtrent menselijke leven: levensprincipes
    • Réflexions ou sentences et maximes orales (1665): vrij pessimistische aformismen
      • Spanningsverhouding uiterlijke schijn en ideëel wezen
      • Pessimisme: eigenbelang als essentiële drijfveer van de mens voorgesteld
  • Briefliteratuur: Mme de Sévigné (1626-1696; vindt la Rochefoucauld een oude brompot)
    • Meer dan 10.000 brieven
    • Tonen dat geestelijke ontreddering een belangrijk motief is geworden
    • Brieven schrijven om iemand te overtuigen van je kwaliteiten
  • Maniëristische roman: Mme Marie-Madeleine comtesse de la Fayette
    • Beoorde tot dezelfde kring als De Sévigné en La Rochefoucauld
    • Schreef eerste Franse psychologische roman: La Princesse de Clèves (1678)
      • Banale liefdesgeschiedenis, verwant met amadische en pastorale roman
        Pessimisme: liefde kan je niet redden van de dood
      • Nadruk op karakterontleding: innerlijke conflicten tussen menselijke drijfveren. (↔ Classicisme: mens moet hartstochten temperen)
      • Analyse van intersubjectieve relaties tussen personages
      • Destructieve werking liefde: pessimistische thematiek
      • Sterk moralistisch: duidelijke religieuze ingesteldheid

Barokepos (proza)

John Milton (1608-1674): Engels toneelschrijver die christelijke revival tijdens barok goed illustreert.
Paradise Lost (1667: 10 boeken, 1674: herziene uitgave in 12 boeken): 12-delig religieus epos dat scheppingsverhaal en zondeval herneemt. Typisch barokke thematiek:

  • Zondeval van de eerste mens: veel traditionele kenmerken van het epos, maar door de universele geldigheid van het thema moest Milton de gebruikelijke epische techniek verwerpen. Held is niet een bepaald individu met buitengewone fysische en geestelijke kracht en moed, maar de mens in het algemeen. Mensheid krijgt symboolwaarde: wordt voorgesteld in haar confrontatie met kosmische totaliteit
  • Karakters (Adam en Eva, Satan) worden als menselijke figuren met tragische lotsbestemming voorgesteld. Vaak ironische toon.

Vondel en Calderon

Barokke avonturenroman

In navolging van de amadische roman, wel grootser

Scudéry, d'Urfré, La Calprenède, Lohenstein: inmiddels in vergetelheid geraakt, toch belangrijk in ontwikkeling verhaalkunst

  • Radicalisering traditionele heldenroman: niets is normaal, middelmatig, alles is grandioos
  • Net als in ridderroman wordt de held op de proef gesteld: moet heldhaftige aard bewijzen
  • In tegenstelling tot ridderroman is held dynamisch personage: wordt geïntegreerd in een proces, daden staan in functie van zoektocht naar waarheid en gerechtigheid (wraak)
  • Motief rad van fortuin: kleinheid mens tonen door held te plaatsen in avontuurlijke wereld vol met hindernissen: ontvoeringen, verkrachtingen, slavernij
  • Hoofdmotief: trouw van de geliefden: happy end
  • Soms elementen uit de pastorale roman

Barokdrama

  • Don Pedro Calderon de la Barca (1600-1681)
    • Centrale idee vaak zeer religieus: werk verheerlijkt de Rooms-katholieke Kerk en haar dogma's vooral in godsdienstig-historische stukken (anekdotes uit Europese geschiedenis) en autos sacramentales (El gran theatro del mundo)
    • Filosofisch motief: vooral ijdelheidsmotief van barok
    • Aandacht voor psychologie in de comedia's (mantel en degenstukken): werkt psychologie veel beter uit dan Lope de Vega: nuanceert het conflict liefde-eer, de wraakneming wordt niet goedgekeurd, maar psychologisch verklaard: diepere karaktertekening dan bij de Vega
  • Joost van den Vondel (1587-1679)

Lucifer (1654), Adam in ballingschap (1664): stukken waarin de dichter zich ten dienste stelt van het katholieke geloof (eisen barokpoëtica), maar ook andere elementen van de poëtica duidelijk bespeurbaar zijn.
Meester van de antithese

Lees meer...

Maniërisme en barok (16e-17e eeuw)

A. Terminologie, situering en periodisering

Terminologie

  • Maniërisme: grootse en pronkerige smaak (< Maniera Grande: stijl uit Rome: vb Sixtijnse kapel: overdreven, imiteren)
    Model is de pauselijke hofstijl de met overdrijving aan de Europese hoven wordt nagevolgd
  • Barok: < perla barroca (Portugees voor parel met onregelmatige vorm)
    Aanvankelijk depreciërende benaming voor overdadige en overdreven gekunstelde stijl van sommige 16e - 17e-eeuwse kunstvormen; wordt later vanuit classicistische hoek (Goethe) negatief geconnoteerd.

Periodisering

  • Ontstaan: gelijktijdig in de 16e eeuw (1520 → late renaissance)
  • Dominante stromingen in de 2e helft van de 16e eeuw (geleidelijk)
  • In de 17e eeuw verliest de maniëristische kunst (1520 - 1650) van de aristocratie haar dominante positie ten voordele van de barok (1520 - 1700): voornaamste vertegenwoordigers van barokke architectuur, schilderkunst in de eerste helft van de 17e eeuw; barokmuziek slechts in het begin van de 18e eeuw
  • In Frankrijk krijgt de barok veel concurrentie van het Classicisme (bouwt voort op maniërisme), vanaf 1660 begint het classicistische naar voor te komen in alle landen

Situering t.o.v. de Renaissance

  • Maniërisme: kan beschouwd worden als uitloper en variant van de Renaissance, of als hoogtepunt: de renaissancistische cultuuridealen van de kritische burger en de verfijnde aristocraat worden in het maniërisme (vooral de aristocraat) voortgezet.
    → Elitaire, aristocratisch-hoofse stijl
    Neemt van de barok vaal de religieuze inspiratie over, maar blijft trouwer aan het Renaissancistische vormideaal
  • Barok: wijkt op beslissende punten af van dat cultuurideaal. De kunstenaar zoekt contact met breder publiek, maar de burgerlijke smaakpatronen worden getemperd (burgerlijk zelfbewustzijn nam af door economische stagnatie). Barok is ook solidair met Kerk om succes van de Reformatie te breken => vrij profane Renaissancekunst aangevuld met religieuze attitude. Het is echter geen terugkeren naar de ME eenheidscultuur, ze is modern:
    • Sterk gericht op morele aspect van de religie: geïndividualiseerd geloof
    • Existentiëler: meer gericht op het geheel van de schepping: mens nog centraal, maar wel een radertje in een onmetelijke kosmos

B. Cultuurhistorische achtergronden

Culturele ontreddering

Definitieve einde ME eenheidscultuur: Renaissance-optimisme (ze kunnen opnieuw beginnen, met de klassieken als leidraad) is gedaan (vooral in Italië, en in het rijk van de Habsburgers)

Wereld ziet er niet meer zo mooi uit (constante oorlogen), Westen is zeker niet de beste wereld (zoals in ME)

Vb. Breughel: de Dulle Griet: dood wordt het thema (reeds rond 1520)

Reacties:

  • Maniërisme: zelfbewuste, aristocratische kunst
  • Barok: vertaalt onzekerheid in nieuwe levenshouding (meer religieus)

Historische verklaring cultuurpessimisme

  • Politiek: einde van de eenheid: vorstelijk absolutisme: sterk centraal gezag wijkt af van verlangen grote christelijke gemeenschap
    • Begrip 'staat': stelt zich in plaats van God → verdwijnen christelijke wereldbeeld
    • Paus geen bindmiddel meer: neemt deel aan politieke conflicten
    • 16e - 17e eeuw: godsdienstoorlogen
  • Intellectueel: eenheid is problematisch: einde synthese geloof-wetenschap-moraal
    • Nieuwe filosofische overtuigingen: nieuwe wetenschappelijke inzichten (heliocentrisme) → beïnvloedt wijze waarop mens zijn plaats in de kosmos inschat
    • Kosmisch bewustzijn: kosmos = groots, geordende machine met daarin de mens als nietig en klein (Pascal: mens is sprakeloos)
    • Metafysische huivering: mens is sprakeloos door grootsheid → angst
      Typisch kenmerk in barokkunstwerken: existentieel besef door nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen
  • Economisch: nieuw stadium kapitalisme door overzeese kolonisatie
    • Wereldhandel: van mediterrane steden → noordelijke havens (culturele bloei)
    • Eerste systematische vormen van kapitalistische economie (geldhandel, beurs, …)
    • Kunstenaars profiteren: ze worden onafhankelijker
  • Sociale onrust: 'Oorlog en dood': vb. Breughel (de Dulle Griet), Dührer (de Dood)
    • Economische ontwikkeling rampzalig voor volksmassa (loondruk, overbevolking,…)
      → Sociale ontevredenheid, revoltes
    • Polariteit tussen verschillende groepen → boerenopstanden
    • Dictatoriale regimes: belangrijke sleutel in het begrijpen van de barokmentaliteit: Machiavellisme: doel heiligt de middelen

Rol van de katholieke Kerk

  • Politiek realisme (Machiavellisme): kenmerkend voor kerkelijke reactie op Reformatie (vanaf 1519): Concilie van Trente (1545-1563): Contrareformatie gebaseerd op nieuwe ascese en grote strijdbaarheid (inquisitie, censuur, …)
  • Barokkunst wordt ingezet als propagandistisch wapen van de Contrareformatie en als uitdrukkingsmiddel voor de macht van de Roomse Kerk: de brede bevolkingslagen d.m.v. gevoelsvolle kunst de grootsheid van het katholicisme tonen.

C. Kenmerken van Maniërisme en barok

Kunstsociologische situatie

  • Grotere onafhankelijkheid kunstenaar: blijft ook de 'geniale schepper' van de Renaissance
  • Dit komt door de groei van de kunstmarkt (vb. in Antwerpen 300 meesters in schilderkunst - 170 bakkers): vooral portretten (Holbein), en de invloed van de Kerk en aristocratie

Thematische kenmerken

  • Vaak religieus: religieus geïnspireerd individualisme (het nietige individu met grote spirituele behoeften in een grote wereld): religieuze invulling van het renaissancistische individualisme. Tendens van de Renaissance zet zich nu radicaler voort: verinnerlijking van de religie
    • Aandacht voor immanente sacraliteit: vervangt ME geloof in goddelijke transcendentie
      → zekerheden verdwijnen
      → vb. Vondel: Lucifer: strijd met kosmische krachten
      → vb. Milton: Paradise Lost: complexe, slechte wereld na verdrijving uit het Paradijs
    • Religieuze drukt zich uit in subjectivistische, existentiële thema's: mens is nietig in onmetelijke kosmos en wordt gedreven door domheid (vgl. antieke ideaal van schoonmenselijkheid)
    • Wordt door alle barokkunstenaars gebruikt, maar ook door maniëristen als John Donne en La Rochefoucault
  • Bloei pessimistische thema's: door de geestelijke ontreddering (vergankelijkheid van het Aardse) na val ME eenheidscultuur en nieuwe religieuze opvattingen. Door de religieuze en politieke ervaringen van de kunstenaar kan hij niet meer optimistisch zijn (↔ Dante: loutering en zege van de goddelijke orde)
    • IJdelheidmotief: benadrukking vergankelijkheid v.h. Aardse: al het aardse is ijdel (vanitas vanitatum)
    • Om dit te concretiseren, vaak thema's met antithese van realiteit en illusie: achter de schone schijn van de mens zit een sterfelijk, lachwekkend wezen verborgen. Liefde en schoonheid zijn illusoir en waardevol als ze vergankelijk en een afspiegeling van de eeuwige schoonheid zijn.
      Calderon: meester van het ijdelheidsmotief (La vida es sueño)
      Purcell: King Arhtur: Song of the cold: tegenstelling illusie - realiteit (Eros - geest), vlucht naar vitaliteit: men wil zich aan het leven vastklampen
    • Motieven die het vergankelheid- en ijdelheidmotief ondersteunen

- Rad van fortuin

- Theatrum mundi: wereld is een schouwtoneel, waarin ieder slechts zijn deel speelt (Vondel)

- Dood: veel doodskoppen

- Luchtbellen, sneeuwvlokken, dauwdruppels → vergankelijk

- Metamorfosen, spiegelbeelden (optisch bedrog), paradoxen

- Mythologische figuren: gekwelde personages (Tantalus, Prometheus)

- Toren van Babel: gebrek aan harmonie; hoogmoed, ijdelheid

  • Vitalistische motieven: door aandacht voor vergankelijkheid, geven sommige kunstenaars zich over aan Aardse genietingen: hedonistisch genieten van het beperkte leven (↔ Renaissance: materiële genietingen; hier geestelijke genietingen, verbeelding → fantasieverhalen)

- Vitalistische, sensualistische stijl en motieven: zintuiglijke ervaringen kleurrijk beschreven

- Grote rol verbeelding: fictionele werelden i.p.v. sobere realistische werelden vd. Renaissance: escapisme (duidt op de wil weg te vluchten uit het aardse tranendal en op het creëren van een kunstmatig paradijs)

→ Melancholie: kennis kan je niet redden (↔ kennende mens vd. Renaissance)

Stilistische kenmerken

  • Maniërisme en barok: Stilus ornatus: versieringszucht (overdreven: plechtig (religieus) en speels (vitaliteit)) staat vaak haaks op de pessimistische thematiek: vooral sociale redenen: ze willen een triomfantelijke kunst zijn die de macht van bepaalde groepen wil uitdrukken (adellijke cultuur: consolidering centrale gezag; Kerk: geslaagde Contrareformatie; burgerij: rijkdom)
  • Versieringszucht wijkt af van Renaissance: geen harmonie, regelmatigheid meer: onregelmatige vormgeving volgt slechts op het eerste gezicht de uiterlijke vorm van de klassieke kunst, enkel de algemene structuur van klassieke kunstwerken wordt behouden.
    Reden: nieuwe visie relatie tussen kunst - natuur (nieuwe imitatio-leer): men schept niet naar de natuur, maar zoals de natuur: regelloos, spontaan (vgl. Bruno)
  • Concreet inzetten retorische middelen: men wil duidelijke, vaak bombastische effecten bekomen (gebruik stijlfiguren: metafoor, oxymoron, antithese, …; nog complexer in maniërisme: anafoor, epifoor, hyperbool, hyperbaton,…)
  • Maniërisme voert overdrijving nog door vooral op het vlak van imitatie van de klassieke elementen
    • Gekunstelde en vaak duistere beeldspraak (metaforen, mythologische gegevens)
    • Gelatiniseerde woordenschat en geleerde allusies (ondersteunen inhoudelijke complexiteit)
  • Opstelling t.o.v klassieke harmonie en structuur
    • Barokkunst blijft dichter bij klassieke structuur van het kunstwerk (Milton, Vondel), hoewel ze zich meestal ongebonden opstelt ten aanzien van stijlcodes
    • Maniërisme verwijdert zich innerlijk van de klassieke kunst: vb. overspannen intellectualisme (werkelijkheid bewust vervormd en opgenomen in een zonderlinge en diepzinnige beeldspraak)
  • Reactie van barok en maniërisme op het voorkomen van zowel spiritualistische en sensualistische, religieuze en heidense tendensen in de Renaissance:
    • Maniërisme: verstrengelt beide als heterogene componenten
      Heterogeniteit wordt belangrijkste grondformule voor maniëristische kunst: spiritualisme en intellectualisme zijn met elkaar verstrengeld (mystieke ervaringen -pantheïstische visie op natuur, naturalistische visie op werkelijkheid)
      El Greco (spiritualisme), Breughel (sensualisme)
    • Barokkunst probeert de tegenstelling op te heffen in een hogere (religieuze) synthese

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen