Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

De geschiedenis van een mens in een notendop

De geschiedenis van de moderne mens begint tussen 200.000 en 300.000 jaar terug met het verschijnen van de homo sapiens. De moderne mens onderscheid zich van de anderen door gebruik van communicatie, doorgeven van kennis en processen van collectief aanleren, samengevat als cultuur. Hierdoor kan de mens zich sneller aanpassen aan zijn omstandigheden.

Jager-verzamelaars 250.000-10.000/8000 v.g.t.

Grote migraties die een diversiteit in levenswijze en technische kennis in de hand zal hebben.

Gebruikt en ontwikkeld betere technieken die hem helpen in zijn overlevingsstijd.

Periode van de landbouwsamenleving 10.000/8000 v.g.t.-1750/1800

Grote regionale verschillen. Ontstaan in diverse regio’s rond dezelfde tijd. Sedentarisatie. Technologische veranderingen gaan sneller Bevolkingsgroei. Ontstaan van sociale verschillen.

8000-3000 vgt.

Ontwikkelen landbouwsamenlevingen zich tot conglomeraat van dorpen. Er komen nieuwe soorten leiderstypes, hiërarchie, vrouw krijgt een tweederangsstatus.  geven aanzet tot steden.

Steden kenmerken zich door complexe arbeidsverdeling, met aan de top de specialisten in bestuur, religie en oorlogsvoering.

Steden groeien verder uit tot eerste (landbouw)rijken of beschavingen, gekenmerkt door formeel bestuur, taxatie, uitbouw centrale administratie en religie.

500vgt.-1000gt.

Groeit het aantal rijken en neemt de interactie toe. (axiale periode – de beschavingen gaan dezelfde ontwikkelingen maken los van elkaar).

De contacten zorgen voor culturele en religieuze uitwisselingen.

1000-1750.

Ontstaan van kleine, competitieve, gecommercialiseerde en gemilitariseerde staten. Dit groeit uit tot handelsnetwerken die voor intellectuele en culturele rijkdom zullen zorgen maar ook voor vernieling (slavenhandel). Europa groeit uit tot de dominante speler op dit vlak vanaf de 16de eeuw.

De moderne samenleving, 1570/1800-vandaag.

De Industriele Revolutie vindt plaats. Deze zorgt voor economische en maatschappelijke veranderingen.  Snel opeenvolgende innovaties, veranderende globale verhoudingen.

Ook geografische en sociale verschillen. Pas vanaf 21ste eeuw meer mensen in de stad dan op platteland. Pas in het begin van de 20ste eeuw ontstaan de moderne staten.

Industriële revoluties volgen elkaar snel op: steenkool en ijzer  olie, elektriciteit  digitale revolutie. Zorgt voor globale groei van de economie maar niet voor globale gelijkheid.

Lees meer...

Wereldgeschiedenis: een inleiding

Inleiding

Evolutie en progressie

Evolutie is een lopend proces. Historicus mag de mens niet zien als het hoogtepunt hiervan. De evolutie is puur toevallig. Het is geen uitgetekende fasentheorie.

Dit toeval en geluk wordt bepaald door extinctie. Door de neergang van de dino’s kwamen de zoogdieren op.

Er is een progressie in de richting van grotere complexiteit. De strijd om te overleven zorgt voor progressieve verbeteringen.

Lees meer...

Fase IV: Gallische Periode Ijzertijd

Door het gebrek aan politieke eenheid werden de Kelten al gauw verdrongen door het groeiende Romeinse Rijk. Door de nieuwe markteconomie van de Middellandse Zee ontstond een afzetmarkt voor ambachtslui en handelaren. Zij maakten deel uit van een sterk gehiërarchiseerde samenleving, waarin ook een rol was weggelegd voor priesters.

Van tribale structuren ging men over naar de eerste staten ten noorden van de Alpen. Hierbij ontstonden oppida, die vanaf 200 een proces van verstedelijking doormaakten en daarbij optraden als een soort hoofdplaats. Deze versterkte steden, oppida, functioneerden niet alleen als politiek, maar ook als economisch en religieus centrum.

Tevens stonden ze in voor de eerste muntontwikkeling in Europa, aanvankelijk met kopieën, maar algauw door een lokale eigen munt. Dit proces trad echter niet op in onze streken, de noordgrens van de urbanisatie kunnen we vastleggen tussen Normandië en Bohemen, via Zuid-Luxemburg.

Enkele voorbeelden van oppida zijn Bibracte (van de Aedui), Gergovia, Titelberg, Stradovice, Villeneuve, … Allen delen ze een strategische inplanting op een hoogte of aan een verkeersas. Door kilometers van ommuring uit steen, aarde en hout geven ze een erg versterkte indruk. Intern is er een intense dambordbewoning met diverse, verschillende wijken.

Een bekende site is die van het Duitse Manching, dat op een vlakte ligt maar zijn bestaan dankt aan een nabijgelegen rivier. De omwalling is zodanig lang dat ze onbeschermbaar moet zijn geweest. Ze is een zogenaamde ‘murus gallicus’, een onbrandbare noch vernietigbare versterking, waarbij een houten raamwerk opgevuld werd met stenen.

Bij de oppida werden niet langer Griekse maar Romeinse amfora aangetroffen. Noordelijker zijn deze onbekend, wat doet vermoeden dat de handelswegen daar erg beperkt waren. Men leefde er blijkbaar verder in de vroegere tribale structuur in plattelandsdorpen.

Tevens zien we in deze periode de opkomst van de aedificia, grote landerijen die ontstaan naast de vici of gehuchtjes uit de vroegere periodes. Overal in Europa ziet men ze optreden, omringd door grachten die functioneren als afsluiting, niet als verdediging. Deze nieuwe stijl van boerderijen heeft allerlei functies in productie en opslag.

Echter blijft het een martiale maatschappij waarin oorlogen en migraties een voorname rol spelen. Talrijke allianties worden bezegeld met gijzelaars en schatten. Deze schatten zijn over volledig Gallië te vinden, soms ook binnen een religieuze context (zoals in Frasnez-les-Buissenal). Bij dergelijke muntschatten (zoals gevonden te Heers, Beringen en Thuin) merkt men op dat de geldstukken een Grieks motief hebben, dat wil zeggen dat het gezicht in profiel is en dat er vaak een wagen met paard afgebeeld wordt.

Door de Romeinen werd Gallia Narbonensis al snel ingenomen. Tijdens de periode dat Julius Caesar daar het bewind als proconsul uitoefent voelen de Aedui zich bedreigd door de Helveten. Zij vragen om hulp en Caesar neemt in enkele expedities geheel Gallië in. Zijn rol hierin beschreef hij in zijn ‘De Bello Gallico’, dat echter een politiek propagandamiddel blijft en dus met een kritisch oog dient bekeken te worden.

De wisselende interne politieke verhoudingen, ook binnen de stammen, spelen in zijn voordeel. Zo werden enkele graven van ‘collaborateurs’ opgegraven (vb. Clemency, Goeblingen) die gevuld zijn met rijk Romeins materiaal zoals emmers en zeefpannen. Onder meer de Germaanse cavalerie kwam hem meer dan eens te hulp, iets wat te zien is in de vondst van sporen in diverse graven.

Op deze wijze kon iedere Gallische weerstand neergeslagen worden. In 54 v.C. dient Ambiorix over de Rijn te vluchten en twee jaar later verliest Vercingetorix de slag bij Alesia, waarna hij als gevangene vermoord wordt.

In de naamgeving van onze streken zijn diverse fouten gemaakt. Zo zijn Galliërs in heel Europa Kelten, en niet enkel tot aan de Rijn, zoals Caesar beweerde. Hij stelde dit zo voor omdat hij niet in staat was deze rivier over te steken. Daar heerste echter ook dezelfde cultuur, iets wat onder andere uit de naamgeving af te leiden is. Ook de Eburonen, die door Caesar reeds als Germanen werden gezien, mag men onder de Kelten rekenen. Pas later zullen de echte Germanen de Rijn oversteken.

Het gebied zelf wordt onderworpen aan een driedeling in Aquitanië, Celtae Vel Gallici en Belgae. Dit laatste bevatte naast onze streken slechts een klein Frans deel in plaats van volledig Noord-Gallië of ‘België’. De stammen die onze gewesten bewoonden zijn, van west naar oost, de Menapiërs, de Nerviërs, de Aduatuca, de Eburonen en de Paemani.

De Gallo-Romeinse beschaving betekent het einde van de protohistorie, hoewel die cultuur nog een tijd zou voortleven in de onveroverde gebieden.

Germanen in Noord-Europa

In Noord-Europa treffen we de Germanen. Ze zijn ons goed gekend dankzij Romeinse teksten, oa van Tacitus: De Germania. Cimbri en Teutonen, stammen uit Noord-Duitsland trekken op het eind van de tweede eeuw door Gallië. Ze vormen een voorbode van de latere Germaanse stammen die zich vanaf de eeuwwisseling aan de rechteroever van de Rijn gaan vestigen.

Lees meer...

Fase III: Keltische Krijgers Ijzertijd

Rond het jaar 400 boetten de Griekse kolonies aan macht in ten voordele van de Italiaanse culturen, de Etrusken en later de Romeinen. Een nieuwe handelsweg trok via Ticino door de Alpen, waarbij de vroegere sites werden genegeerd. Zo werden de streek rond Bourges, de Champagne-Marne en het Eiffel-Midden-Rijngebied de nieuwe centra en namen zij de schakelfunctie van de Furstensitze over.

De binaire, aristocratische samenleving wordt complexer. Naarmate de hiërarchie verdwijnt, neemt het belang van de martialiteit toe. Dat men als krijgers aanzien wil verwerven ziet men aan de graven, waar de helm een vast attribuut wordt. Deze is rijk versierd met amber, koraal en email, en in Wandalgesheim werd zelfs een gouden exemplaar aangetroffen.

De graven zelf zijn vrij simpele, rechthoekige, inhumatiegraven, zoals onder andere in Bucy-le-Long te zien is. Voor een man worden vooral wapens bijgevoegd, afhankelijk van zijn status respectievelijk een lans, een schild, een zwaard of, voor de belangrijksten, wagens. Deze tweewielige strijdwagen was niet zo geschikt voor de gewapende strijd maar was een statussymbool. Voor de dames waren Etruskische snavelkannen en sieraden zoals torques wijdverspreid.

Ook bij ons werd een dergelijk gedrag geïmiteerd, hoewel men slechts weinig wapens vond, met een uitzondering voor het plateau van Houffalize en Bastogne. Daar werden kleine grafheuvels aangetroffen met zelfs wagenresten.

Het Keltisch gebied was echter nooit een politieke eenheid. Het waren aparte stammen die via raids hun cultuur over een groot gebied verspreidden. Dit is dan ook de periode van de grote Keltische migraties, van Wales en Galicië tot Galatië in het oosten. Men maakte zelfs contact met de Scythen, die zelf technologie hadden via de schakelfunctie, wat leidde tot Griekse objecten zoals in Kelermes. De Kelten werden berucht wegens de belegering van Rome in 390 en de plundering van Delphi in 279, waarbij een beeld ontstond van de naakte, woeste krijger, wat echter een foute romantisatie is. Grotendeels waren zij ook gewone landbouwers.

De aanleiding voor de migratie is onduidelijk. In klassieke teksten varieert men van het zoeken naar nieuwe gronden door landtekort tot afgunst omwille van de mediterrane rijkdom. We moeten echter ook rekening houden met de instorting van de handel door de nieuwe rol van Noord-Italië en de krijgersmaatschappij, waarin oorlogsvoeren endemisch aanwezig was.

Iberiërs en Celtiberen

Kelten palmen ook delen van het Iberisch schiereiland in, vooral het binnenland.

In de 8ste eeuw ontwikkelde in Spanje de Tartessos-cultuur waaruit de Iberische cultuur zou voortkomen, gemengd met Griekse en Fenisische elementen. De Iberische cultuur vinden we vooral langs de kusten en is sterk gebaseerd op de krijger, de maatschappij staat in het teken van het militaire, we weten dit uit de graven. Iberische krijgers fungeerden in de Middellandse Zee als huurlingen. De Celtiberen vermengden zich met de plaatselijke Iberen tijdens de expansiefase die fase III kenmerkt.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen