Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

Geen taalbeleid Nederlanden

In verschillende gewesten waren er meerdere taalgemeenschappen en liepen er taalgrenzen doorheen de gebieden. Ten Noorden van de grenslijn sprak men Oost- en West-Vlaams, Brabants en Limburgs. Ten zuiden sprak men Waals of Picardisch, of Duits in Luxemburg. De verschillende talen waren vanzelfsprekend en alle overheden respecteerden die (ook de Kerk). Taal maakte immers deel uit van de identiteit van het volk. Wanneer een territoriale overwinning plaats vond, was taal van geen belang, aan het volk werd geen taal opgelegd, wel aan de lokale schepenen. Taal was voor het volk geen probleem, maar voor een benoeming (op gewestelijk en centraal vlak) was meertaligheid een voorwaarde.

De consejo de estado, die in Madrid de vorst bijstond voor het beheer in de Nederlanden, bestond enkel uit Spaanse raadsheren. Na de opstand werden de defensie en buitenlandse aangelegenheden niet meer met Nederlandstalige raadheren overlegd, alles gebeurde in het Spaans. Voor zaken van binnenlands bestuur diende de Hoge Raad van de Nederlanden als raadgever, de adviezen waren in het Spaans. Binnen de raad zelf sprak men Frans, zoals de andere Brusselse raden rond de landvoogd. ( ook al kende noch landvoogd, noch vorst die goed)

Onder Oostenrijks bewind bleef er een tweetaligheid. Er was wel een verschuiving in briefinhoud: naast diplomatieke zaken kwam vooral het beleid van Brusselse raden ter sprake. Brieven tussen Wenen en Brussel waren in het Frans, door internationale positie van Frankrijk. De hoge raad van de Nederlanden kreeg het daardoor makkelijker.

De landvoogd kreeg verregaande bevoegdheden en werd bijgestaan door de drie collaterale raden, die de taal van de vorst spraken. Maar bij overname van Nederlanden had men ook Bourgondisch overgenomen (geen Spaanse administratie dus) en bij het Oostenrijkse tijdperk gaat men terug naar het Bourgondisch.

De vorst gebruikte Bourgondisch om contacten te houden met steden en gewestelijke statenvergadering. Maar gemeenten en gewesten gebruikten hun eigen taal. In de 18e eeuw gaan zij echter ook het Frans gaan gebruiken. Ordonnanties werden in lokale taal uitgevaardigd, maar geschillen werden in oorspronkelijke Franse taal besproken. Door de overheden die taal gebruikten stond eentaligheid vast. Maar er heerste meestal meertaligheid in een gewest, ook door het onderwijs dat gebruik maakte van het Frans en Latijn. In de 18e eeuw kent het Frans een grotere ingang. Vanaf 1635 was Frankrijk de vijand (tegen Spanje en kerk), maar de Franse taal werd verder gebruikt (Franse cultuur blijft zoals elders toonaangevend, maar inwoners verder niet Fransgezind). Maar het Nederlands of de lokale taal moest niet het onderspit delven, vele publicaties werden nog in het Nederlands gepubliceerd. Meertaligheid in Brussel (de meeste spraken Waals of Vlaams dialect), vooral weggelegd voor adel en burgerij.

Frans was deel van het bewuste cultuurbeleid dat werd gevoerd door Frankrijk. Men wou enkel een eenvormige bestuurstaal in het hele land wat handig was voor de elite en ambtenaren. In de Nederlanden was er geen taalbeleid. De taaldiversiteit weerspiegelde de decentralisatie. Door het de economische en politieke macht van Holland werd streektaal de standaardtaal in Verenigde Provinciën. In 1582, tijdens de opstandsjaren, werd Bourgondisch als officiële taal uitgeroepen. Maar door de economische en godsdienstige kon dat niet lang overleven. De invloed van het Frans was aanwezig in de Vlaamse, maar zeker ook in de Waalse of Picardische provincies. In de18e eeuw bleef groei van het Frans vooral tot betere kringen beperkt. In de 17e eeuw kende de Waalse literatuur een groot succes, misschien was dit een reactie op het Frans dat zich ook verspreide in de bredere lagere bevolkingslagen.

Men ziet veel de tegenstellingen tussen de Verenigde Provinciën en Habsburgse Nederlanden: het Noorden is republikeins, mercantiel, protestants en Nederlandstalig; het Zuiden is monarchaal, agrarisch, katholiek en Franstalig. Maar politiek leken ze hard op elkaar: beiden een confederaal karakter want bestuur was bij allebei meer in handen gekomen van vermogende renteniers. In de 18e eeuw haalde het Zuiden de economische achterstand in, op religieus vlak groeide de gebieden verder uit elkaar, er was ook een taalkundige vervreemding gekomen door al die jaren van scheiding.

De fasering van de evolutie van de twee gebieden zeer verschillend. (FASE 1) In Habsburgse Nederlanden was er een minder contrast tussen groei en die onder controle houden, dan er in de Verenigde Provinciën was. In de 17e eeuw was er een herstel van de bevolking na de opstandsjaren. Er was geen handel op de Schelde, maar wel werden de Vlaamse kusthavens open gehouden. Landbouw had enkel problemen aan de grensgebieden, het culturele leven stond onder invloed van de Italiaanse cultuur. Er was vooral barok in Vlaanderen en Brabant, en minder in de Waalse gewesten. De schilderkunst had een internationale uitstraling, er was ook het nieuwe wetenschappelijke denken dat sterk gestimuleerd was door de jezuïeten.

(FASE 2) In volgende fase (Karel II en VI toen aan de macht) stagneerde de bevolkingsaangroei. Er was overal een economische stagnatie (mercantilisme). Die werd echter in de Nederlanden tegengegaan door de zeemogendheden. Er werd veel heropgebouwd, nadat de oorlogen beëindigd waren, de kerk daarentegen bouwde veel minder. Kunstenaars zochten werk in het buitenland (maar er was geen uitputting), verder stond kunst vooral onder Franse invloed. Door het jansenisme komen er discussies op gang over de relatie Kerk-staat.

Er kwam een grote ommekeer door de afloop van de Oostenrijkse successieoorlog (1748): opnieuw stijging bevolking (zeer krachtige groei, te danken aan het verdwijnen van epidemieën en diversifiëring van basisvoedsel, ook aardappel) De zuidelijke Nederlanden zouden ook onafhankelijk van de VP een handelsbeleid voeren. Maar dit werd vooral door Wenen geregeld (wel met inspraak van de Zuid-Ned), net zoals het buitenlands beleid, dat toenadering zocht tot Frankrijk. De kerk boette aan invloed in, de staat stond achter de verlichtingsideeën, waardoor er ook meer Franse invloed kwam. De bevolking werd echter niet verfranst, de elite bleef meertalig.

Lees meer...

Kunstenaars in dienst van Kerk en Staat Nederlanden

Schilders en beeldhouwers hadden hier het meeste werk. In de 17e eeuw waren er vooral bestellingen uit kerkelijke middens. De kerk zelf, en het interieur werden ingericht naar de normen van de concilie van Trente (barok om nieuw image te verkondigen). De eerste verwezenlijkingen waar vooral nabootsingen van Italiaanse werken, maar later kwam er een kruising van de landelijke bouwstijl en buitenlandse invloeden (traditionele grondplan met imposante voorgevel).

Er waren ook schilders die vooral aan hoven werkten (Rubens), de Vlaamse schilder verwees subtiel met antieke mythologie naar de grootheid van de vorst. De aartshertogen gaven veel geld uit aan kunst, om hun kersverse soevereiniteit wat meer glans te geven. Ook mensen met hoge functies en adel lieten zich portretteren. In de 2e helft van de 17e eeuw liepen de bestellingen snel terug en schilders bouwen een carrière op in het buitenland. In de 18e eeuw beperkte de devote Maria Theresia haar hofhouding. De landvoogd mocht dan wel heel wat politieke bevoegdheden verliezen aan de gevolmachtigde minister, op cultureel vlak waren ze elkaar evenwaardig. Na de Franse bezetting (medio 18e eeuw) gaat de aandacht over van de Italiaanse naar Franse cultuur (classicisme). Onder Cobenzl brengt kunst de verlichtingsidealen naarvoor en de niet de godsdienstige elementen. (het bleef dus opnieuw een navolging van een ander land).

Lees meer...

De betrekkingen tussen kerk en staat Nederlanden

In de 17e eeuw was er geen onverenigbaarheid tussen geloof en wetenschap, vooral de jezuiëten hadden weinig problemen met de opkomende wetenschappen. De Bollandisten geloofden in geloof dat gezuiverd werd door de rede. Met hulp van de jezuïeten werd er een kritische uitgave van heiligenlevens door hen op de markt gebracht: acta sanctorum (bij protestanten en katholieken bewondering).

In de 2e helft van de 17e eeuw werd de tegenstelling beïnvloed door voor- en tegenstanders van de moderne filosofie, die door Descartes was binnengebracht. Hij gaf een dualistische visie van de mens, en verzoende het rationalisme met het geloof. (voordien middeleeuwse scholastiek op de universiteit, die christelijke interpretatie gaf van aristotelische filosofie). Tevens nam de invloed van het cartesianisme in het onderwijs toe.

Na de concilie van Trente kwam er een nieuw samenwerkingsmodel tussen kerk en Staat. Kloosterorden mochten naast ziekenzorg ook voor onderwijs zorgen, de armenzorg was voor de parochies. Kerkelijke rechtbanken breidden hun toezicht uit op geloof en zeden. Dit alles werd door de burgerlijke overheden aanvaard omdat de politiek nu eenmaal steunde op de religie. (geloof zette tot gehoorzaamheid en onderdanigheid aan) Tolerantie was niet mogelijk in de Nederlanden (kerk en staat ging gepaard). Het intolerantiebeginsel lag aan basis van vrede van Westfalen (einde 30j oorlog). In de republiek kreeg het calvinisme een bevoorrechte plaats, nochtans was de meerderheid van de bevolking katholiek. Katholieken werden ginder ook geweerd uit het openbaar leven, wat leidde tot een protestantisering van het hele volk. In de Spaanse Nederlanden vertrokken de meeste protestanten bij het herstel van Spanje. De kernen die overbleven (op het platteland) mochten blijven zolang ze hun geloof niet in het openbaar beleden. Ook joden werden lichtelijk getolereerd, zelfs door de landvoogden die zelf katholiek waren ( de paus stak echter een stokje voor het joodse geloof). In 1648, na einde van 80j oorlog, kwam er een nieuwe tegenstelling op de voorgrond: voor- of tegenstanders van het jansenisme. Dit meningsverschil ging terug op Trente waar er een discussie was over het aandeel van de individuele inzet en sacramenten in de zaligmaking. De jansenisten waren voorstander van het individuele aandeel. Het jansenisme kreeg politieke dimensie: verantwoordelijkheid voor katholieke hervormingsbeweging lag volgens jansenisten bij het eigen episcopaat, dat in samenwerking was met vorstelijke bestuur- en justitieraden. Hun tegenstanders en de jezuïeten zagen dat anders: zij vonden dat de pauselijke macht en de jurisdictie nodig waren geweest voor de hervormingen te doen slagen. De landvoogden hadden het niet echt voor de nationale ingesteldheid van de professoren en bisschoppen die een Romeinse invloed wouden voorkomen. Daarom benoemden zij vooral anti-jansenistische professoren.

Maar in de 18e eeuw werd de band tussen de monarchie en het pausdom door de Oostenrijkse regering in vraag gesteld. Kaunitz en Cobenzl waren aanhangers van het nieuwe staatsidee en Neny duldde geen inspraak meer van de nuntii (pauselijke gezanten) in het kerkelijk leven. Volgens de verlichting moest de rol van de kerk tot het minimum worden beperkt en moest de staat onderwijs, ziekenzorg, etc zelf in handen nemen. Kerk en staat werden vijanden, de overheid ging zelf censureren en deed daarbij het omgekeerde dan voordien gebeurd was: conservatieve publicaties waren verboden. Bovendien kwam er tolerantie over de godsdienstige overtuiging, Jozef II zou zelf de godsdienstvrijheid in de 18e eeuw afkondigen.

De katholieke kerk had in haar reformatie veel aandacht besteed aan het lager onderwijs, waar godsdienst een centrale rol had. Kinderen leerden lezen (schrijven en rekenen). De verlichting had hier veel minder aandacht voor, en bleef bijgevolg in steden onder invloed van de kerk. Jezuïeten en augustijnen hadden na het herstel van het Spaans gezag in de Nederlanden het middelbaar onderwijs (voorbereiding op universiteit, war men Latijn leerde) op zich genomen. De jezuïeten werden in 1773 door de paus opgeheven waardoor de overheid een eigen onderwijsnet kon uitbouwen ( ‘theresiaanse colleges’).

Tijdens de reformatie was de regering bezorgd om de religieuze orthodoxie van het universitaire onderricht. Daarom moest iedere vorstelijke raadsheer een universitair diploma hebben en werd in 1617 de kwaliteit van het onderwijs in Leuven verhoogd, na de opstandjaren waarin het bleek gedaald te zijn. In 1754 werd de universiteit van Leuven opnieuw gecontroleerd (in opdracht van Neny). In 1769 werd er ook een société littéraire opgericht, wat later een volwaardige academie werd. De werkzaamheden hierbinnen werden gevolgd door de regering en daardoor tevens deel afgeremd.

Kranten gaf de overheid de kans om de publieke opinie te beïnvloeden. Dit was geen nieuw medium, er waren al talloze vlugschriften verschenen over de actualiteit. Een krant was anders door zijn periodiciteit (wekelijks). Deze regelmatigheid was te danken aan het internationale netwerk van postverbindingen, ook de vaste vertegenwoordigers in Europa hielpen mee aan de kranten. Diplomaten hielden hun eigen overheid op de hoogte van wat er in het buitenland gebeurde, zodanig dat de regering een eigen interpretatie kon maken van de gebeurtenissen en die verspreiden, het binnenlands nieuws wordt dan ook grotendeels verwaarloosd. In 1620 was er de Antwerpse Verhoeven, die Nieuwe Tijdinghen uitbracht. Deze krant hoopte op herstel van de 17 provinciën onder de Habsburgers en wou de oorlog tegen de republiek heropnemen om de katholieken van het protestantisme te behoeden. Het blad van Hugonet, ‘relations veritable’, in 1649, verkondigde het woord van de Brusselse regering en was tegen de Gazette uit parijs. Deze krant wou het standpunt van de regering aan het publiek overbrengen en verslag over militaire gebeurtenissen onder overheidscontrole brengen. Hoe groter de bedreiging van Lodewijk XIV hoe groter de propaganda tegen Frankrijk. De bevolking van de aan Frankrijk gehechte gebieden wou niets liever dan terug bij Spanje horen. Maar toen de Spaanse bezetter terug kwam, bleek het voordelig ter zijn onder het Frans bewind. De clerus was tegen Frankrijk, dat in zijn buitenlands beleid de protestanten hielp in hun strijd tegen de Habsburgers. Bovendien leefde de zonnekoning er zonder al te veel geloof op los en kwam de geloofsbeleving in dat land maar sober tot uitdrukking. In 1667 werd de Brusselse krant door Foppens overgenomen, die probeert in niet-franstalige gewesten ingang te krijgen, wat uitdraaide op een conflict tussen de stedelijke, gewestelijke en Brusselse regeringsraden. Foppens kreeg geen toegang tot steden zoals Gent en Brugge, omdat de steden niet mee wilden (zoals meestal het geval was). De hervormingen van de regeringen (die ze althans probeerden door te voeren) na 1748 hadden ook invloed op de kranten: men trachtte de verlichtingsideeën te verspreiden (zonder al te veel succes). De ideeën werden verspreid door buitenlandse boeken en kranten. Later worden ook koffiehuizen en clubhuizen voor de adel opgericht waar kranten gelezen en besproken worden. Vrijmetselaarsloges, die hun opkomst kenden in de 2e helft 18e eeuw, dragen ook bij aan de verspreiding van het nieuwe gedachtegoed.

Lees meer...

Van mercantilisme naar liberalisme Nederlanden

De Spaanse Nederlanden kregen met twee zware tegenslagen af te rekenen: uitwijking van zakenlui met kapitaal en ambachten op het einde van de 16e eeuw en de Schelde die gesloten bleef (in handen van opstandelingen). De reders leden schade doordat er steeds met kleinere Zeeuwse schepen naar en van Antwerpen werd gevoerd, bovendien verloor A’pen zijn positie in het voordeel van Rotter en Amsterdam. Maar A’pen bleef een financieel trefpunt: het netwerk van internationale correspondenties bleef bestaan, verder had de stad ook een sleutelrol in overheidskredieten: de wisselbrieven. In 1585 vond de Vlaamse vloot in Duinkerken een havenplaats. Bovendien was er de kaapvaart (piraterij), een manier van oorlogsvoering die vooral de Hollandse vissers trof. In 1658 viel de nieuwe haven in handen van Frankrijk en werd Oostende de belangrijkste haven.

Centrale rol van A’pen in 16e eeuw te danken aan: veel bevaarbare waterwegen, overheid had ook vele plannen voor de aanleg van kanalen (meestal niet uitgevoerd door geldgebrek).

In de 18e eeuw werden ook veel verharde wegen aangelegd, dankzij de provinciale staten en de steden (regering heeft uiteindelijk toch bijgelegd in kosten om alles te voltooien). Dit soort initiatieven kwam dus niet van de centrale overheid, een uitzondering op deze regel is de postverbinding. Dit werd voor de Habsburgers verzorgd door het internationaal bedrijf: de tassis.

De overheid hield zich bezig met het handelsbeleid, toekennen van octrooien en douanerechten. Deze laatste, ook licenten genoemd, werden geheven in de 80j oorlog, opdat de kooplui mits betaling ook naar de opstandige mogen uitvoeren. In 1648 werd dit systeem opgeheven, maar de douanerechten waren een belangrijke inkomst voor de schatkist. Bovendien bepaalde de vorst zelf de tarieven en had hij geen goedkeuring van de staten nodig. In de 2e helft van de 17e eeuw voerden de omringende landen een mercantilistische politiek, de Nederlanden voerde dit enkel tegenover Frankrijk (1670 een tarief, dat in 1680 zal verlaagd worden onder druk van Engeland en de Verenigde Provinciën). Ook in 1715, bij overdracht van de Nederlanden, zal er door deze landen een nadelig tarief worden afgedwongen. Vanaf 1740 (na successieoorlog) kon Wenen dan zelf een economische beleid voeren aangepast aan de Nederlanden. De Franse markt ging toen ook open, omwille van de alliantie met Oostenrijk. In de 2e helft van de 18e eeuw kwam de vrijhandel op. Deze was vooral in de landbouw aanwezig, de regering beschermde echter nog steeds enkele ambachtelijke producten. Voor deze bescherming was er het Bureau de Régie die hierover advies gaf.

Het mercantilisme werd ook doorbroken (niet alleen door wegnemen van het douanebeleid) door een mentaliteitsverschuiving in de handel: ambtenaren keken neer op zakenlui, die vooral op winst gericht waren (traditioneel stonden bovenaan overheidsfuncties, dan militairen en raadsheren). Met de overgang van de 17e naar de 18e eeuw erkende de overheid voor de eerste keer het nut van handelsactiviteiten. Wat ook te zien is in de adellijke titels: men hoefde als handelaar niet meer het beroep te laten vallen om een titel te krijgen en houden, het handelsberoep en de titel gingen voortaan samen. Tevens ging het verlies van de adeldom hiermee gepaard. Door deze aanpassing in het adelsrecht kreeg de elite meer belangstelling voor de economie, vele zouden investeren en aandeelhouder worden.

In de 17e eeuw was er in de Nederlanden vrij veel oorlog, in de 18e eeuw was die er helemaal niet. In vergelijking met de 17e eeuw was de oorlog van de 18e eeuw ‘une guerre en dentelles’. Ze bleef tot het grensgebied beperkt en had weinig invloed op de economie. Het geld dat uit Spanje kwam voor aan defensie te spenderen, werd meestal geïnjecteerd in de economie in de 1e helft van de 17e eeuw. Er waren ook nooit hongersnoden dankzij de intensieve Vlaamse landbouw (= dutch husbandry, volgens engelse agronoom Weston): sinds de 16e eeuw had het drieslagstelsel plaats gemaakt voor voedergewassen (eten voor vee, mest voor land).Vanaf de 2e helft van de 18e eeuw zag men ook dat de landbouwgrond erg versnipperd was, door intensieve arbeid werd de opbrengst verhoogd. Verder was er ook de komst van de aardappel en de opkomst van het graan uitvoeren ( er was bijgevolg geen afhankelijkheid van het buitenland meer op vlak van bevoorrading).

In de 18e eeuw kwam er een discussie opgang over hoe landbouwgrond het best werkt bewerkt: intensief of extensief. In de Nederlanden wou men de gebieden zo veel mogelijk versnipperen, zo hoopte men meer productiviteit en een stijgende bevolking te krijgen. Er kwam een beperking op de hoeveelheid land dat iemand mocht houden ( abdijen en kloosters tegen, hadden veel grond). Ook was er aandacht voor bossen, in de 17e eeuw was er immers veel houtkap door oorlogen. (zoniënwoud in 18e eeuw door overheid hersteld; adel, vorst en kerk mochten bossen hebben).

De overheid was de stimulans voor economische groei, maar de bevolkingsdruk was de echte motor. Er waren geen epidemieën meer geweest in de 18e eeuw die het bevolkingsaantal in evenwicht bracht, dus moest men het areaal optimaal benutten om iedereen te kunnen voederen. Toen men daar het onderste uit de kan had gehaald greep men daar de gemene gronden, die brachten echter weinig op. Een oplossing was de proto-industrie (plattelandsnijverheid): koopman leverde een stof af, boeren bewerkten het en verkochten het terug als afgewerkt product. In 1730 kregen steenkoolmijnen en metaalnijverheid een boost in Wallonië, er was immers de stoompomp (Newcomen) die water makkelijker deed opwellen waardoor er dieper kon gegraven worden.

Bijgevolg voldeden de Nederlanden aan alle voorwaarden voor het latere industrialisatieproces, zonder dat het zich hiervan bewust was.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen