Menu

HOOFDSTUK 16 – LATERE MODERNEN

§ 1. Historisch-kritisch onderzoek

Het historisch-kritische onderzoek is karakteristiek voor de 'empirische' fase van de moderne theologie. Het onderzoek liet zich in belangrijke mate leiden door evolutionistische constructies. Typisch voor Nederland was de radicalisering van de NT-kritiek door de zg. ultra-Tu bingers. Allard Pierson: de synoptische evangelie n bevatten geen betrouwbare kennis van Jezus en zijn leer. Over Jezus' historiciteit staat niets vast. Jezus is de symbolisering van een reeks ideee n. Deze radicale opvattingen ontmoetten veel verzet (orthodoxe zijde, maar ook Kuenen) en konden geen stand houden. Men kon echter niet terugkeren naar het liberale Jezusbeeld, dat Scholten en Hoekstra voor ogen had gestaan.

§ 2. Nieuwe vraagstellingen

De nieuwe vraag was of Jezus Christus voor het geloofsleven nog op andere wijze van betekenis kon zijn dan als historische leraar van zedelijkheid. De zekerheid, waarmee men christologische overtuigen tot vragen van historie en humaniteit had herleid, verdween. Wat is de grond voor het religieus ethisch ideaal als we het niet meer kunnen gronden op deze grote onbekende (Jezus)? Zo ontstond een radicale scheiding van historie en geloof. De poging om het geloof te funderen op nog bruikbare resten van de ruï ne van de traditie moest men opgeven. Men ging van de Jezus van de historie naar de Christus van het geloof.

Doorwerking van de Ritschliaanse gedachten: christen-zijn is meer dan deugd en goede wil; het is aanbidding, godsvertrouwen, geloof. Een meer mystieke gezindheid brak door en er kwam ruimte voor de erkenning van betrekkelijke waarheid in de orthodoxie. Men zocht naar iets wat dieper ingreep in het mens-zijn dan de moraal. Vanuit dit algemene beeld worden verschillende wegen ingeslagen:

Agnosticisme inzake alle objectiverend spreken over God, gepaard aan een getuigen van het zedelijk ideaal, dat feitelijk substituut voor God werd. (Rauwenhoff ). Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Nadruk op het supranaturele. Subjectief karakter van de godskennis. Geloof en openbaring kunnen niet gescheiden worden. Het gaat om openbaringsbewustzijn en godsbewustzijn (Cramer, Cannegieter).

Geloof was niet anders dan populaire, ongeschoolde metafysica. Het enige wat geloof onderscheidt van de metafysica is de ervaring, waarin ethische aspecten – Gods heiligheid, gerechtigheid, liefde - een grote plaats innemen (Bruining).

§ 3. Het maatschappelijk vraagstuk

Rauwenhoff bepleitte 'bezielend werken op de maatschappij' om inhoud te geven aan het zedelijk ideaal. T.a.v. het sociale vraagstuk wilden de moderne predikanten sociale gezindheid, maar geen socialisme. Domela Nieuwenhuis verliet de kerk en werd een belangrijk socialistisch leider. De kerk had moeite om iets op sociaal terrein van de grond te krijgen. Rond 1900 ontstaat de religieus-socialistische beweging, later uitmondend in de Woodbrookersbeweging.

§ 4. De positie van de modernen in de kerk

Teleurstelling: de modernen probeerden de intellectuelen te bereiken, maar die lieten verstek gaan. Het modernisme was geen re veil-beweging geworden. In de tweede plaats was de orthodoxie, ook na de aderlating van de Doleantie, veel sterker en levenskrachtiger dan men had verwacht.

Uittredingen: de broers Hugenholtz treden uit de Hervormde kerk en stichtten de Vrije Gemeente (een doleantie naar links). Dit blijft beperkt tot e e n gemeente in Amsterdam. Een tiental andere predikanten en een groot aantal gemeenteleden gaat over tot de Remonstrantse broederschap. Organisatie: 1866 - stichting van de Vergadering van moderne theologen. Theologische studiegemeenschap; initiatief Kuenen 1871 - oprichting van De

Protestantenbond en weekblad de Hervorming; initiatief Opzoomer. De Bond als de nieuwe kerk van de toekomst, maar een minderheid wil binnen de kerk blijven. 1896 - oprichting van de Evangelische Unie als Vereniging tot handhaving van de vrijheid van belijdenis in de Ned. Hervormde Kerk; initiatief Eerdmans. 1904 – oprichting van de Vereniging van Vrijzinniger Hervormden in Friesland; initiatief Niemeyer. Hieruit ontstaat in 1913 de Vereniging voor Vrijzinnige Hervormden in Nederland.

§ 5. Theologische vernieuwing; de Malcontenten

Als invloedrijke vrijzinnige theologen sedert het begin van de twintigste eeuw moeten worden genoemd : De Graaf, Roessingh, Heering. Twee van de drie waren Remonstrants, maar de belangrijkste theologische ontwikkelingen overschreden de grenzen van de kerkgenootschappen. Alledrie worden zij gerekend tot de Malcontenten onder de jongere modernen. Roessingh geeft de volgende kenmerken:

  • Pessimisme, bitterheid over de wereld en de eigen ziel, zondebesef.
  • Hernieuwde aandacht voor Christus als verlossende kracht Gods.
  • Een terugbuigen in sommige belangrijke opzichten tot rechtzinnig-dogmatische terminologie.


§ 6. H.T. de Graaf

Hij wordt tot de Malcontenten gerekend vanwege zijn pleidooi voor christocentrisch denken. Hij vroeg daarbij niet naar de historische Jezus, maar naar wat hij noemde ‘Christonomie’. Christus bepaalt ons Godsgeloof, onze hoop, onze zedelijke waardering en plichten. Christus speelt een rol in de totstandkoming van ons geloof, als bemiddeling, niet als voorwerp van geloof.

Heymans: De Graaf was een volgeling van de filosoof-psycholoog Heymans. Het fysische is het spiegelbeeld van het psychische, dat de eigenlijke werkelijkheid is. Het psychisch monisme, dat zich in ruimte en tijd beweegt, kan niet het laatste woord hebben. Er moet een diepere werkelijkheid aan ten grondslag liggen, een tijdeloze werkelijkheid, die wij niet kunnen kennen, alleen maar ‘vermoeden’. Heymans spreekt niet van God, maar met voorzichtigheid en terughoudendheid van ‘Das Weltwesen’. Hiervan af te leiden zijn grondbegrippen voor ons menselijk denken en existeren: saamhorigheid met de wereld, verantwoordelijkheid, vertrouwen dat we niet aan onszelf zijn overgelaten.

De Graafs theologisch denken: Zijn systematische hoofdwerken: Om het hoogste Goed, 1918; Om het eeuwig Goed, 1923; De godsdienst in het licht der zielkunde, 1928. Zijn eerste werk is een bezinning op de grondslagen van ons leven. Over het wezen van de mens in zijn verhouding tot het Geheel. Religie is in beginsel de aanvaarding van het Verband tussen de mens en het bovenmenselijkheid. Wilsvereniging met God is het eigenlijke van de godsdienst. De Graaf wil monistisch denken met ethiek verbinden. Dit doet hij door het begrip 'verantwoordelijkheid'. Enkele samenvattende opmerkingen over zijn werken:

Geloof en openbaring. De openbaring (passief) heeft prioriteit, het geloof (actief) wordt geschonken. Samen zijn zij e e n acte van de menselijke geest.

Zonde en schuld. Hij kent een sterke behoefte aan verlossing en bevrijding, aan een leversverandering door geroepen te worden in Gods orde. Karakter van hoop.

Hij wilde niet meer zeggen dan hij kon verantwoorden. Het geloof wil niet Gods wezen tot uitdrukking brengen, maar alleen zijn betrekking tot ons. Onze geloofsuitspraken zijn waardetoekenningen; wij drukken niet uit wat God is, maar wat God voor ons is.

Het tegendeel van dogmatische zekerheid.

Een algemeen openbaringsbegrip is het uitgangspunt. Een beroep op Schleiermacher. Zijn visie is gericht op een toekomstige wereldgodsdienst.

Bijbelse vroomheid en christelijke mystiek.

Betekenis:

Hij overwon het intellectualisme van de oudere modernen in levende, mystieke vroomheid.

Veel bijbelse noties over de verhouding van God en mens liet hij opnieuw functioneren.

Hij legde een verband tussen religie en theologie enerzijds en waardefilosofie en psychologie, wetenschap en cultuur, politieke en maatschappelijke vragen anderzijds.

  • Hij handhaafde de prioriteit van de godsdienst.
  • Hij was een christen-humanistisch denker.


§ 7. K.H. Roessingh

Biografie en algemene karakterisering: hij vroeg zich af hoe binnen de wijsbegeerte ruimte gemaakt kan worden voor religie en theologie. Modern theoloog: Roessingh zag de moderne theologie als onderdeel van de worsteling tussen christendom en cultuur. Hij dacht na over de wijze waarop de waardefilosofie in de cultuur plaats kan maken voor religie. Het onderzoek naar het religieus apriori, van Troeltsch en later van Otto, vond hij erg belangrijk. Hij wilde op basis van de rede ruimte scheppen voor andere waarden dan alleen theoretische en ethische. In zijn inaugurele rede stelde hij de vraag naar de persoonlijkheid en de cultuur. De spanning tussen persoonlijke beslissingen en bovennatuurlijke waarden bepaalt het leven. Binnen deze spanning komt het evangelie aan de orde. Later kwam de geschiedenisfilosofie op de voorgrond. Een objectief waarden-systeem binnen de filosofie of theologie is niet mogelijk; subjectief waarderen is onvermijdelijk: “Voor mijzelf is Christus het centrum en de zin van de wereldhistorie”. Christologie en eschatologie: Roessingh neemt kennis van de Zwitserse theologie, van Karl Barth.

Zijn denken verschuift in de richting van de openbaringstheologie. Hegel, Kant, Fichte, Schleiermacher, Ritschl, Troeltsch worden verruild voor Otto, Heiler, Scheler. Dit leidt tot een kritische cultuurwaardering. Ook: Kierkegaard, Barth, Brunner, e.a. Van de filosofische naar de theologische vraagstellingen. Christus als eeuwig openbaringsmoment van de levende God. Hij keert zich af van het liberale Jezusbeeld. Een ander mensbesef vraagt een ander geschiedenisbesef en godsbesef en de vraag naar de verlossende kracht, de ervaring van zonde, de behoefte aan genade komt op de voorgrond. Hier toont Roessing verwantschap met de ethischen. Een nieuw begrip komt nu naar voren, dat van de kosmische Christus. Het gaat dan niet meer om de individuele ervaring van zonde en behoefte aan verlossing, maar om de Christusgeest die leeft in de gemeente. De historische Jezus staat niet centraal, maar de zich tot de mens neigende God, de tegenwoordige Christus. In het opstel over het humanistisch en eschatologische element in het modernisme trekt hij de lijnen door. De geprobeerde synthese tussen idealisme en christendom is mislukt. Men heeft het religieuze gehalte van het Duitse Idealisme schromelijk overschat. Het idealistisch vrijheids- en autonomiebegrip kan zelfs in dreigende nabijheid van het atheï sme geraken.

§ 8. G.J. Heering

Heering is geboren op Java in 1879. Later vertrok hij naar Den Haag en studeerde aan et Remonstrants Seminarium te Leiden. Daar is hij ook hoogleraar geworden. Hij overleed in 1955.

Ethische problemen: tijdens zijn predikantschap houdt hij zich bezig met de problemen van de samenleving. Na WO I wordt hij leidsman van de christen-pacifisten in Nederland. De vraag had zich aan hem opgedrongen of niet in de internationale verhoudingen een staatsheerschappij in het leven was geroepen, die Christus’ koningsheerschappij naar de kroon stak. Dit resulteerde in de oprichting van de vereniging 'Kerk en Vrede' in 1924. Het boek ‘De zondeval van het Christendom’ verscheen in 1928 en werd van fundamentele betekenis voor de christelijke vredesbeweging, ook internationaal. De zondeval bestaat voor hem niet in de kerstening van het Romeinse Rijk tot een ‘corpus christianum’ als zodanig, maar wel in het feit, dat de God van de christenen tot een oorlogs- en overwinningsgod en de miles Chirsti van soldaat van de vrede tot een oorlogssoldaat werd gemaakt.

Dogmatisch denken: hij stond bewust in de remonstrantse traditie, maar was ook overtuigd dat nieuwe inzichten de calvinisten en de remonstranten tot elkaar konden brengen, volgens het remonstrantse beginsel: in necessariis unitas, in non necessariis libertas, in utrisque caritas. Heering was terughoudend over een dogmatische vormgeving en eigen inzicht: beleiden is niet kennen, het maakt God en Gods werk niet tot een object, maar blijft een eerbiedig spreken over wat ons te boven gaat; het laat zich daarom niet dwingend opleggen.

Dogmatisch stelt hij de prolegomena aan de orde. De Malcontenten hadden immers teruggegrepen op klassieke christelijke geloofservaringen en geloofsvoorstellingen. De vraag naar de bron van de kennis kwam hierdoor centraal te staan en Heering stelde dat de beslissende categorie die van de openbaring, waarvan God het subject is. God openbaart zich, in Christus, door de Schrift, door de werking van de Geest. Het geloof heeft geen a priori in het zedelijke bewustzijn, de menselijke geest; ze heeft slechts secundaire betekenis. Overigens heeft de mens wel een ´religieuze aanleg´. De filosofische fundering voor de religie wordt verlaten en ingewisseld voor de theologie. Hiermee sluit hij aan bij Barth: er moet worden toegezien, dat zij door haar eigen zaak, de eigen aard van haar object wordt bepaald. De zakelijkheid wordt gewonnen door een zeer bewust bijbels, christocentrisch denken. Evenals

Roessingt zegt hij dat de verschillende Christusbeelden in het NT tenslotte getuigenissen zijn van e e n persoon. Die ene persoon is de schrijvers te ‘machtig’, waarmee hij bedoelt dat openbaring aan kennis voorafgaat.

De vraag naar de aard en wijze van de geloofskennis beantwoordt Heering in de telkens terugkerende overweging over de relatie of correlatie van openbaring en menselijke ontvankelijkheid (revelatie en divinatie). Hij onderscheidt zich op dit punt van Barth en conformeert zich meer aan Brunner:

God respecteert en bewaart onze zelfstandigheid, hij heeft geen marionetten nodig, maar persoonlijkheden (Remonstrants). Maar deze twee, revelatie en divinatie, zijn niet twee gelijkwaardige elementen: de Heilige Geest is de verbinding van deze twee en alleen door de ontmoeting met de revelatie komt de divinatie tot kennis van God. Kortom: het geloof is een gave van de Heilige Geest, maar hiertoe is hij niet in staat als de mens niet-ontvankelijk zou zijn.

De christologie: hij heeft moeite met Roessinghs christologie, waarin Christus een waardencomplex is, dat de verwarde NT berichten tot een eenheid centraliseert. De synoptische evangeliee n spreken niet over de pre-existentie van Christus. Alleen de Heilige Geest is pre-existent. Christus noemt hij de belichamning van Gods Heilige Geest.

De leer aangaande God: hij wil niet spreken over een wezenstriniteit, maar wel over een openbaringstriniteit. God openbaart zich als Vader, Zoon en Heilige Geest. In het wezen is God e e n en ongedeeld.

Soteriologie: het diepste motief van zijn Christusbelijdenis is staurocentrisch. Hij vindt dat men te veel beredeneert en te veel consequenties trekt. De zoendood aanvaardt hij niet, maar wel de waarheid van het kruis. Het kruis is in de eerste plaats daad en offer van God. Er is geen sprake van voldoening van Gods toorn, van God als schuldeiser; maar waar het kruis staat, is een Hand zichtbaar geworden, die zich verzoenend op onze schuld wil leggen. God is subject van de verzoening en niet het object.

Koninkrijk van God: de christelijke belijdenis onderscheidt zich hierin uitdrukkelijk van alle humanistische toekomstverwachting. Ervaring is niet meer mogelijk en het komt op geloven aan. Immers, men heeft nog geen ervaring van de toekomst. Hij legt grote nadruk op de verwachting, omdat ze in de bijbel centraal wordt gesteld. Leven uit deze verwachting is het juiste antwoord op het optimisme. Het strijdende en lijdende rijk van Christus op aarde het bestand van de geschiedenis en om dat rijk gaat het. Heering laat in het midden of de wederkomst als ree le wederkomst dan wel als overwinning van zijn Geest moet worden verstaan. Het geloof en het leven, de religie en de ethiek worden door deze eschatologische verwachting bepaald. Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

§ 9. Linkse vrijzinnige theologen in deze periode

G. Horreüs de Haas: niet alle vrijzinnige tijdgenoten van De Graaf, Roessingh en Heering hebben aan de ontwikkeling in de geest van het rechtsmodernisme deelgenomen. De Haas wordt hier als voorbeeld aangehaald, die wel een ‘profetische figuur van het oud-modernisme’ wordt genoemd. J.L. Snethlage: hij stond aan de linkerzijde en is theologisch eenzaam gebleven, hoewel hij meer godsdienstfilosoof dan theoloog was. Hij poogde het pragmatisme te verbinden met het neokantianisme. Hij wilde de mythische bestanddelen uit de religie zuiveren. Van een metafysische transcendentie van God was voor hem geen sprake. Het geloof is daarom noodzakelijk leeg, een fides qua creditur, geen fides quae.

G.H. van Senden: hij was zeer actief in de Nederlandse Woodbrookersbeweging en ontwikkelde zich tot religieus monist, met de gedachte van de ‘wordende God’ – ons worden is Gods worden in ons, op grond van de heiligheid van het Al.

Lees meer...

Hoofdstuk 13 – KUYPER EN DE DOLEANTIE

§1. Levensloop

1837-1920 Studeerde theologie en letteren te Leiden (diss. over A Lasco). Predikant te Beesd, later in Utrecht.

1870 predikant in Amsterdam

1880-1901 hoogleraar VU

1874-1877 Tweede Kamer

1894-1901 Tweede Kamer

1901-1905 minister van Binnenlandse Zaken en premier.

1908-1912 Tweede Kamer

tot 1920 Eerste Kamer

§2. Theologische ontwikkelingsgang, eerste periode

Studietijd: in zijn studietijd was hij een enthousiast volgeling van Scholten in zijn streven om het calvinisme te vernieuwen en op de hoogte van de tijd te brengen, met zijn leer van Gods volstrekte opperheerschappij en de redelijkheid van de religie. Kuyper heeft aan hem zijn grote interesse voor de kerk en het dogma te danken. Zijn dissertatie maakte duidelijk dat hij een voorkeur had voor A. Lasco boven Calvijn, omdat deze consequenter was. Calvijn legde meer nadruk op de heiligheid dan op de liefde van God, meer op de autoriteit van de geschreven letter dan op de vrije uitleg van de geest. De kerk was bij hem meer een instituut geworden. Bij A. Lasco vinden we dit niet terug. Het gezag van het OT was ondergeschikt aan de woorden van Christus en de christelijke vrijheid werd verdedigd. De geest van Christus werd gesteld i.p.v. legalisme. De sporen van judaï sme waren hierin verdwenen, die we wel bij Calvijn aantreffen. De voorkeur van Kuyper voor A. Lasco is gebleven, ook toen hij overtuigd werd. Dit zien we terug in zijn tegenzin in de binding van de kerk aan de overheid. Hij zag de kerk liever als organisme met mondige gemeenteleden. Hij kwam in een religieuze crisis door het lezen van The Heir of

Redclyffe van Miss Younge. Hij verlangde naar de kerk als moeder voor haar kinderen, anglicaanse kerkmodel. Predikant te Beesd: een tweede geestelijke crisis vond plaats door een ontmoeting met een kleine groep vrome gemeenteleden, die uit de geest van de Nadere Reformatie leefden. Hij ging studeren en vond uiteindelijk bij Calvijn de begeerde vastheid, want hij had een kerk gesticht met zegen en vrede die als moeder kon functioneren. Dit zou zijn levensdoel worden. In zijn afscheidspreek te Beesd gaf hij verantwoording waarom hij de moderne en ethische theologie de rug had toegekeerd. Hij zag slechts twee wegen: allereerst het ontkennen van het wezenlijke bederf van de mens. Hierin kent de mens geen schuld en de rede kan God kennen. Openbaring is dan overbodig. Een tweede route is het erkennen van het bederf. In die situatie is de rede geen gids en is verzoening met God onmisbaar. Kuyper koos voor de tweede weg en wekte de gemeente op de strijd te voeren tegen de aan het evangelie vijandige richting.

Te Utrecht: in zijn intredepreek stelde Kuyper dat de kerk het lichaam van Christus is en geen verzameling van volgelingen. De vleeswording van het Woord moet voltooid worden, door het wonen van de Christus onder ons, door de Heilige Geest. Hiermee ontstaat een diep ingrijpend onderscheid, want de kerkmensen verschillen hiermee van buitenkerkelijken. De kerkmensen mogen van de uitwendige kerk verwachten dat ze bestendig en vast is op het gebied van het kerkrecht, de belijdenis en de eredienst. Een christen moet zich op ieder levensgebied inzetten voor de strijd van Christus' geest met die van de wereld. `Vooraan in de wedloop om de erekrans op maatschappelijk gebied.' Kuyper zette dit in Utrecht gelijk om in daden. Dit leidde tot een visitatieconflict - geen gemeenschap des geloofs met hogere bestuurders. Kuyper besefte dat de strijd om de kerk zich zou moeten afspelen in Amsterdam. Daarom nam hij een beroep naar Amsterdam aan.

§3. Predikant in Amsterdam. Strijd voor de vrijmaking van de kerk:

ntreepreek: hij begon met vreugde te spreken dat hij de eerste predikant was die door de gemeente beroepen was. Hij preekte verder over het

  • onderscheid tussen kerk als organisme en kerk als instituut:
  • organisme door het nieuwe leven (gevaar: vervluchtiging in de maatschappij) – `onze moeder';
  • instituut als georganiseerde stichting (gevaar: verstening) – `onze opvoedster'.
  • ij stelde dat we moesten verbouwen of verhuizen. Driee rlei vrijheid was het doel:
  • van de staat: zij heeft de kerk tot invloedloze vorstin gemaakt;
  • van het geld: vertrouwen op de Heer, niet op het goud van de staat;
  • van het ambt: niet meer het institaire ambt, maar priesterschap dat in de gemeente wortelt.


De gemeente moet zichzelf besturen en de valse band van het ongereformeerde kerkbestuur moet verdwijnen. Dan is de weg vrij om in de maatschappij bezig te gaan.

Protesterende ouderlingen: vo o r Kuypers komst waren er al enige ouderlingen gekozen die tegenstanders waren van de moderne richting, waartoe enige begaafde predikanten behoorden (o.m. Ph.R. Hugenholtz, P.H. Hugenholtz en L.S.P. Meyboom). In twee diensten ontstond commotie doordat een ouderling een luidkeels protest tegen de leer van de dominees liet horen. Dit leidde tot grote opschudding. Kuyper mengde zich met animo in dit gewoel. Men eiste afzetting van ds. P.H. Hugenholtz wegens ontkenning van Christus' opstanding. Het classicaal bestuur wees de aanklacht af, omdat Hugenholtz niets had gezegd dat in strijd was `met de geest en de hoofdzaak van de leer der Herv. Kerk'. Zeventien ouderlingen besloten toen niet meer bij de moderne predikanten in de kerk te komen, wilden geen avondmaal meer met hen te vieren en bij nieuwe lidmaten wachters van de waarheid te zijn. Hierdoor ontstond protest in het land.

De vereniging `Beraad': n.a.v. de laatste kwestie richtte Kuyper `Beraad' op, waarin gelijkgezinde kerkenraadsleden voorafgaand overleg zouden plegen over alle belangrijke onderwerpen van de kerkenraadsvergadering. Het ging in de eerste plaats om de bezittingen veilig te stellen in de strijd met de modernen. In Amsterdam was er namelijk een aan de kerkenraad ondergeschikte commissie over het beheer i.p.v. een kerkvoogdij. Vrijwillige kerspelvorming: probleem van samenwonen van verschillende richtingen onder e e n dak werd steeds urgenter. Het kwam op de synode in februari 1874. De modernen stelden voor om het belijdende karakter over te laten aan zich vrij samenvoegende groepen van geestesverwanten (= kerspelen). Confessionelen wilden een Algemene Synode die handhaving en herziening van de belijdenis op zich zou nemen. Beide voorstellen verworpen; een voorstel werd aangenomen om aan de rechten van minderheden tegemoet te komen door haar in de kerkenraden te doen vertegenwoordigen.

Kuyper had inmiddels, zonder de synodevergadering af te wachten, alleen voor Amsterdam samen met Ph.R. Hugenholtz een plan tot facultatieve kerspelvorming ingediend. Vijf kerspelen (2 modern, 2 orthodox, 1 tussenin) met elk eigen gebouwen en eigen regels. De kerkenraad zou alleen toezien in administratieve zin. Het plan kwam er niet door. Kuyper gaf zelf later toe dat het in strijd was met het gereformeerde kerkrecht. In de politieke strijd: naast de kerkelijke strijd had Kuyper ondertussen ook een politieke strijd gestart.

De Standaard 1872: om het antirevolutionaire volk soevereiniteit te leren. De Heraut 1850: kwam in 1871 onder Kuypers hoofdredactie. Hij verving haar door De Standaard. In 1877 verscheen het weer als afzonderlijk weekblad. Zo nam Kuyper de leiding over van Groen. Hij wijzigde de koers: democratie en vrije-kerkgedachte. Democratie is niet fout (Groen), maar door God gewild en zelfs het christendom is democratisch. Toen hij de Tweede Kamer inging trad hij af als predikant, maar bleef hij ouderling in Amsterdam.

§4. De Vrije Universiteit

Grondslagen gelegd: Hoger Onderwijswet van 1876 verklaarde Amsterdamse Athenaeum tot universiteit. Kuyper en Rutgers kregen een leerstoel aangeboden. Ze weigerden om een professoraat aan een beginselloze universiteit te beginnen. Kuyper had al geschreven dat het christelijk karakter van de hogescholen door de revolutie verloren was gegaan. Hij wilde een christelijke universiteit, vrij en onafhankelijk van de staat. Een seminarie was een noodoplossing, maar is principieel af te wijzen, want de theologie heeft een onmisbare plaats binnen de wetenschap. Er moesten drie universiteiten zijn: een revolutionaire, een protestants-christelijke en een katholieke. G.J. Vos Az. en Ph.J. Hoedemaker, confessionelen, hadden zich ook uitgesproken voor een vrije universiteit, maar dan als noodmaatregel. Voor Kuyper was het een principe. N.a.v. de Hoger Onderwijswet konden Kuyper en Rutgers al snel beginnen met voorbereidingen voor de stichting van een universiteit. De gereformeerde universiteit zou staan binnen de omtrek van de gereformeerde kerk, maar een soevereiniteit in eigen kring hebben. De kerk had alleen door tucht over de medewerkers zeggenschap over haar. Ook mochten er wat betreft de theologische faculteit geen personen worden benoemd tegen wie de kerk bezwaar had, en de diploma's moesten door de kerk worden goedgekeurd. Opening van de Vrije Universiteit. Soevereiniteit in eigen kring: in 1880 werd de Vrije Universiteit geopend. Met Kuyper, Rutgers en Hoedemaker.

Kuyper legde de nadruk op soevereiniteit in eigen kring, de nadruk zou vallen op de verschillende levenskringen en niet op het volk of de gehele natie. Deze term werd methodisch uitgangspunt in heel Kuypers strijd. Het zou het kenmerk van de VU worden naar 3 aspecten: nationale betekenis, wetenschappelijk bedoelen en gereformeerd karakter. Kuyper koos duidelijk voor een van andere christengezindtes afgescheiden universiteit. Elk moest bouwen op eigen beginselen. Dat geldt ook voor de andere wetenschappen. Het maakt nogal wat uit of je de mens ziet als ontwikkeld zoogdier of als beeld van God.

§5. Het Tractaat van de Reformatie der Kerken

Dit tractaat is geschreven in 1883. In deel III komt het begrip doleren aan de orde. Dolerende kerken zijn onvolkomen kerken `door de druk die een ingedrongen en dus vals kerkbestuur op haar uitoefent'. `Een kerk die naar God klaagt of haar plaag mocht worden weggenomen'. In deel IV loopt zijn betoog uit op het gehele actieplan van de doleantiebeweging. De redenering gaat uit van 3 soorten plaatselijke kerken:

- in kerken waar de bediening nog tamelijk zuiver is de band met valse leraars breken;

- in kerken waar goede bediening ontbreekt maar waar nog bidders zijn en hoop op herstel is, een dolerende kerk oprichten.

-in kerken waar geen hoop meer is op herstel een `kerke christi' oprichten of zich aansluiten bij een plaatselijke gescheiden kerk;

Via het kerkverband moeten andere kerken geholpen worden om de kerk van binnenuit te reformeren. Nieuwe classes en nieuwe synodes moeten gevormd worden. De overheid moet de besluiten van 1815 en 1852 intrekken.

§6. De Doleantie in Amsterdam

Actie van de kerkenraad; aannemingskwestie en proponentsbelofte: in 1880 werden de belijdenisvragen verruimd door naar wezen en hoofdzaak te vragen. In 1883 werd de proponentsbelofte elastischer gemaakt. Zelfs de vermelding van het evangelie van Jezus Christus kwam te vervallen. Op 11 april 1883 werd een vergadering belegd in Amsterdam met geestverwante kerkenraden waar bij deelneming er aan de 3 formulieren van enigheid moesten worden onderschreven. Besluit:

1. iemand als dominee toe te laten die niet van harte instemt met de belijdenis (dus quia en niet quatenus);

2. kerkverband van 1816 moest worden afgebroken, waar dit belemmerde, Jezus als Koning in zijn kerk te eren;

3. de belijdenden onder een foute kerkenraad moeten breken met die kerkenraad en een dolerende kerk oprichten.

Kuyper, Rutgers en enkele anderen stelden nog eens geforceerd de aannemingskwestie van jongeren als belijdend lid aan de orde. Op hun initiatief weigerde de kerkenraad attesten af te geven aan jongeren om elders aangenomen te kunnen worden.

De jongeren moesten eerst verklaren dat de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en in de Christelijke Kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer tot verlossing is (tweede doopvraag). Ze probeerden gelijkgezinde kerkenraden ook over te halen tot dezelfde maatregelen. Zo werden hogere besturen uitgelokt maatregelen te nemen tegen hen. Het clasicaal bestuur waagde niets, maar het provinciaal kerkbestuur gelastte het clasicaal bestuur de kerkenraad de attesten af te laten geven. De kerkenraad ging in beroep bij de A.S.C. om de geestelijke machteloosheid van de synode aan te tonen. Inderdaad bekrachtigde de synode de uitspraken van het provinciaal bestuur. Het beheersreglement: omdat het conflict onafwendbaar leek, probeerde de kerkenraad de kerkelijke goederen veilig te stellen. Rutgers stelde voor het reglement zo te wijzigen dat, wat hogere besturen ook mochten besluiten, de beheerscommissie zich achter de geschorste kerkenraad zou stellen. Deze wijziging werd aangenomen.

Schorsing: begin 1886 schorste de het clasicaal bestuur daarom provisioneel 80 kerkenraadsleden. In de hele zaak zijn door clasicaal bestuur en kerkenraad grote fouten gemaakt. Verhinderd werd door de clasicaal bestuur dat de kerkenraad zich vanwege het conflict over de attesten met e e n slag buiten het synodale kerkverband plaatste. Het clasicaal bestuur deed `wat des kerkeraads is'. Kuyper en de zijnen waren dan ook woedend, vooral op rechtzinnige predikanten die niet aan hun zijde hadden gestaan. Het clasicaal bestuur had weten te voorkomen dat het om principie le zaken zou gaan door de blik helemaal te richten op de beheerskwestie.

Nu ging de beschikking over de kerkelijke goederen een grote rol spelen. Voor beide partijen was dit van urgent belang. Door de `paneelzagerij' lukte het, het archief in handen te krijgen. VU-studenten hielden de wacht met lantaarns en knuppels. Tot in de hoogste instanties van burgerrecht werd hierover geprocedeerd. De geschorsten verloren echter - autonomie plaatselijke gemeente, verhouding bestuur en beheer, verbreking kerkverband ook verbreking continuï teit historisch bestaande kerkelijke gemeente. Afzetting door provinciaal kerkbestuur volgde medio 1886.

Kuyper voor de synode: de 75 afgezetten gingen in hoger beroep bij de synode. Alleen Kuyper verscheen namens allen. Kuyper wilde pas antwoorden als de synode zijn bezwaren tegen de procedure zou wegnemen (NB.: Bouma stelt dat de voorzitter hem het spreken onmogelijk maakte!). Dit gebeurde niet en Kuyper ging weg. De synode bekrachtigde het besluit van het provinciaal kerkbestuur. Een laatste beroep van de Amsterdamse kerkenraadsleden hielp niet meer. Toen kwam het hele land in beweging. Kuyper en de synode richtten zich tot volk en kerkenraden. Bericht van Reformatie: de afgezette kerkenraadsleden verklaarden zich in een Bericht van Reformatie tot wederopgetreden wettige kerkenraad van Amsterdam. Hun afwerping van het synodale hie rarchische juk was geen independentisme of afscheiding. Hun kerk was dolerende. Ze noemden zich de `Nederduitsche Gereformeerde Kerk'.

§7. De kandidaten van de Vrije Universiteit en de Doleantie in de dorpen

Geen toelating tot de evangeliebediening in de N.H. Kerk: het proponentsexamen werd afgenomen door het provinciaal kerkbestuur en de Waalse Commissie (reglement 1880). Ze moesten kandidaats hebben gedaan aan e e n van de universiteiten. Na opening van de VU is er bij de synode op aangedrongen ook andere dan openbare kandidaats te aanvaarden. De synode ging daar niet op in. Kuyper zelf had daar nooit om gevraagd, hij wilde zich niet aan de synode onderwerpen. In De Heraut een nieuwe benadering: pas gesprek met de synode mogelijk als kerkelijke examens publiek zouden worden en door de classes vastgesteld en afgenomen. Kootwijk: naar aanleiding hiervan bracht de kerkenraad van Kootwijk een toezegging van beroep uit op J.H. Houtzagers. Kerkenraden van Voorthuizen en Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Nijkerk traden op als `geestelijke classis'. Kerkelijke examen en approbatie werden door hen afgegeven. Het clasicaal bestuur schorste de Kootwijkse kerkenraad hierom. Daarop verbrak hij het kerkverband. De bevestiging van Houtzagers vond plaats door F.P.L.C. van Lingen om 9 i.p.v. 10 uur, zodat, toen het clasicaal bestuur kwam `om te doen wat des kerkeraads is', het een voldongen feit constateerde. Kootwijk werd de eerste gemeente die de reformatie ter hand nam. Voorthuizen volgde. Uitbreiding van de Doleantie: even later volgde Reitsum. De besturen waren verrast. Wat ze moesten doen – de uitgetreden gemeenten vacant verklaren en hen door ringpredikanten laten vervangen – werd vaak onmogelijk gemaakt. Sommige gevallen herinnerden aan de Afscheiding, compleet met politie-ingrijpen en rechtbanken e.d.

§8. Verband van kerken in Doleantie

De dolerende kerken kwamen spoedig tot elkaar op grond van de drie formulieren van enigheid. Toen Amsterdam het synodale juk afwierp nam zij de leiding door begin 1887 een Gereformeerd Kerkelijk Congres te organiseren (in `Frascati'). Kuyper had daar de leiding en de toeloop was groot (1500 a 2000 mensen). De organisatie was goed doordacht. Praktische uitwerking van het Tractaat van de Reformatie der Kerken (§5). Alles kwam aan de orde. Vo o r 1 april moest de zaak geregeld zijn. De A.S.C. droeg de provinciale kerkbesturen en de clasicale besturen op om te onderzoeken wie er aan het congres hadden deelgenomen. Schorsing moest volgen. Maar zij, die het synodale juk hadden afgeworpen, verklaarden dat wie niet met hen was meegegaan zich had afgescheiden van de ware kerk. Zo werd besloten in 1887 op een Synodaal Convent (Rotterdam). 1888: Voorlopige Synode te Utrecht, bekrachtiging van het Synodaal Convent. Op grond van de overtuiging ware en oorspronkelijke gereformeerde kerk te zijn, bleven ze aanspraak maken op de kerkelijke goederen.

§9. Vereniging met de afgescheidenen

De ‘Voorlopige Synode’ verklaarde dat de naam ‘dolerend’ slechts een tijdelijke positie uitdrukte. De wettige naam was ‘Nederduitsche Gereformeerde kerken’. In de synode kwam de vraag aan de orde of ze moesten samengaan met de CG. Echter, Kuyper onderscheidde doleantie en separatie. De christelijk gereformeerden waren afgescheiden van de kerk en de vraag van Kuyper was dus: ‘jullie zijn destijds uit de gereformeerde kerk gegaan, kom nu zij hersteld is tot ons terug’. Dit was moeilijk te verteren voor de christelijk gereformeerden. Uiteindelijk heeft men een compromis gevonden en zijn ze samengegaan, maar enkelen konden hierin niet meegaan en gingen verder onder de naam CGK en in 1947 is deze naam veranderd in Christelijk Gereformeerde Kerken in Nederland.

Lees meer...

Hoofdstuk 12 – STRIJD OM DE BELIJDENIS EN DE VRIJHEID VAN DE KERK

§1. Adressen

Na de Afscheiding was de strijd om de handhaving van de belijdenis niet tot rust gekomen. De Synode kreeg veel adressen te verwerken (b.v. 1841 ds. B. Moorrees). De synode seponeerde sommigen, maar op de belangrijkste ging zij uitvoerig in.

Ze wees de beschuldiging af, als zou de huidige hervormde kerk een liberale kerk zijn, zonder vaste geloofsbelijdenis en zonder vaste beginselen. Zo'n beschuldiging was veel te ernstig. Ze ging niet positief in op de adressen. Terug naar Dordt kon niet meer. Het nieuwe formulier had de 3 formulieren gesteld onder het gezag van de onfeilbare openbaring. Formulierendwang was geen garantie tegen overdrijving en misbruik. Vooruitgang was het toch zeker wel dat de proponenten zich moesten verbinden tot een reine levenswandel.

Dit afwijzend antwoord lokte veel nieuwe adressen uit. B.v. de Zeven Haagsche Heeren o.l.v. Groen van Prinsterer, die handhaving van de 3 formulieren wilden en zich keerden tegen de Groningers. Andere adressen pleitten juist voor handhaving van de situatie en zo vo o r de Groningers. De synode handhaafde de besluiten van 1841 in 1842. De synode meende met de nieuwe formule van wezen en hoofdzaak dat de quia-quatenuskwestie van de baan was. Maar de nieuwe formule lokte eenzelfde strijd uit.

§2. De regering trekt zich terug uit kerkelijke zaken

Moorrees had zich ook gewend tot de koning. Maar de koning, Willem II, wenste, zich bewust van de liberale geest, z'n handen niet te steken in het kerkelijke wespennest. Hij beschouwde de situatie van na 1816 met strenge overheidsbemoeiing als een overgangssituatie, waar nu maar eens een eind aan moest komen. Het was uit met de koninklijke bemoeienis met de kerk. 1843: de synode wijzigt artikel 15 van het Algemeen Reglement met koninklijke goedkeuring. Een streven naar vermindering in regeringsbemoeienis was al geuit in 1842 toen de synode vroeg of zij ook rechtstreeks werkzaam mocht zijn bij de benoeming van theologische hoogleraren.De synode was meester in eigen huis.

§3. Herziening van het Algemeen Reglement

Koning Willem II die liberaal was zorgde met Thorbecke voor een nieuwe grondwet in 1848. Voor de kerk: vrijheid en gelijkberechtiging en behartigen van eigen zaken. Willem III wilde de banden tussen kerk en staat met voorzichtig beleid losweken. 1852: herziening van het Algemeen Reglement. Met voortdurend overleg met de regering trad het nieuwe reglement in werking.

Karakter van het herziene Algemeen Reglement: De handhaving harer leer bleef net zo vaag, evenals de procedure. Doel bleef: bewaring van orde en eendracht en aankweking van liefde tot vorst en vaderland. Wel verandering in kerkbegrip. O.i.v. democratie kwam er meer aandacht voor plaatselijke gemeente en christendom werd de `Christelijke Kerk'.

1. Eerst bestond de kerk uit individuele leden, nu uit gemeenten.

2. Opsomming bestuursinstanties begon bij kerkenraden. Dus soort democratische vertegenwoordiging naar boven met enig presbyteriaal besef.

3. De gemeenten kregen het recht om ouderlingen en predikanten te benoemen. Praktijk hiervan kwam pas veel later tot stand.

De vernieuwing was niet radicaal. Het besturenstelsel bleef gehandhaafd, zij het dan met enige democratische openingen. Bij de koninklijke bekrachtiging in 1852 werden 11 reserves gemaakt. Een blijvend probleem was dat van beheer. Eerst was de koning opperkerkvoogd, daarna kwam er in principe voor drie jaar een Algemeen College van toezicht. Maar zij vroegen de gemeenten zich vrijwillig onder hen te blijven scharen, wat 2/3 deed. Gevolg: er ontstond veelal scheiding tussen bestuur en beheer.

§4. Herstel van de bisschoppelijke hiërarchie

In deze tijd vond het herstel van de Rooms-Katholieke bisschoppelijke hie rarchie plaats. Was in principe al mogelijk geworden in 1795: scheiding van kerk en staat. Het zou de positie van de Oud-katholieken, die wel een kerkinrichting met bisschoppen had, moeilijker maken. Willem I sloot na enige conflicten een concordaat met Rome (1827), na 1830 toenemende concessies. Omstreeks 1840 kwam weer de mogelijkheid van een concordaat, waarover de hervormde synode zich ongerust uitliet. In 1848 ondernamen de katholieken opnieuw pogingen. Een probleem was dat ze van Utrecht een aartsbisdom wilden maken, een stad die nu overwegend protestants was. Thorbecke voorzag moeilijkheden.

Toch kreeg Rome wat het wilde. Een RK-hie rarchie met een aartsbisdom in Utrecht en bisdommen in Breda, Den Bosch, Haarlem en Roermond: pauselijke breve `ex qua' in 1853. De manier waarop de paus over de Hervorming sprak schoot bij velen in het verkeerde keelgat.

Een enorme hoeveelheid aan adressen (aprilbeweging) kon niet verhinderen dat de bisschoppen hun plaats kregen. Groen b.v. vond het raar dat de RK wel vrijheid om eigen zaken te regelen had, maar dat de hervormde kerk nog steeds onder toezicht van de regering stond. Onaangenaam en ontijdig. Het vuur werd gestookt. Willem III was niet ongevoelig en maakte zijn mening bekend. Thorbecke trad toen af.

De Algemene Synodale Commissie maande de aprilbeweging tot kalmte: Rome heeft geen weet van wat er zich heeft afgespeeld vanaf de middeleeuwen. Godsdienst en geloof moeten vrij zijn. De klank van het woord bisschop mag geen angst veroorzaken. Naast al het goede dat de hervormde kerk heeft is er ook veel slechts, b.v. liefdeloosheid in het bestrijden van denkbeelden in eigen kring. Met nadruk pleit de ASC voor verdraagzaamheid t.o.v. Rome en andere christenen.

Even later wordt opgericht de `Evangelische Maatschappij tot bevordering van waarheid en godzaligheid onder Roomsch-Katholieken'. Opleiden tot een evangelische gezindheid, o.a. Hofstede de Groot. Voor de RK betekende dit dat ze zich bewust werden van hun eigen identiteit. Identiteit werd isolement. De leek bleef onmondig onder het episcopaat en stond vreemd tegenover de moderne cultuur. Liberalistisch in de politiek vanwege Thorbecke. Toenadering met AR-beweging in de schoolstrijd.

§5. Nieuwe wet op de kerkgenootschappen

Willem III drong aan op een nieuwe wet (1853). Godsdienstige verdraagzaamheid. Alle kerkgenootschappen kregen gelijke bescherming en vrijheid.

§6. Voortgaande strijd om de belijdenis

Na de invoering van het nieuwe Algemeen Reglement laaide de strijd om de geldigheid van de belijdenis opnieuw op.

B.v. in Amsterdam: naast de populaire ds. J.P. Hasebroek, een geestverwant van Da Costa beriep de kerkenraad dr. L.S.P. Meyboom, een overtuigd aanhanger van de Groninger theologie. Een stroom van bezwaarschriften kwam binnen. Ze werden afgewezen op de `wezen-en-hoofdzaakformule' van

1841: er was geen voldoende objectieve maatstaf om iemands meningen omtrent de leer te veroordelen, daar deze beoordeling grotendeels zou rusten op subjectieve gronden.

In Den Haag was er net zoiets met dr. J.C. Zaalberg, een modern theoloog. Maar hun intrede ging wel door (beiden preekten over 1Cor 2,2). Groen bemoeide zich er ook mee, toen Zaalberg steeds radicaler werd. De onrust die beide predikanten bij hun komst teweegbrachten werkte door in het hele land. B.v. Doedes: Confessie wordt confusie. De synode betreurde het dat er misbruik werd gemaakt van de `gezegende vrijheid in de kerk'. Er ontstonden georganiseerde verbanden van tegenstanders: b.v. de `Evangelisch-Confessioneele Predikantenvereeniging' die zich tegen het modernisme kantte, maar was geen eenheid.

Het confessionele standpunt werd sterker geaccentueerd door een vereniging `tot hulp en leiding van gemeenten en persoonen in de NHK die om des geloofs wil in nood verkeeren'. Leden kwamen uit zowel confessionele als ethisch-irenische richting: o.m. Heldring, Van Toorenenbergen en Gunning. Toch organiseerden de confessionelen zich tegelijkertijd ook ze lf, door de oprichting van de `Confessionele Vereniging'. Hiertoe behoorden o.m. Heldring, Groen en Van Toorenenbergen. Ze wilden onbekrompen maar ondubbelzinnig vasthouden aan de belijdenis (hetgeen parallel loopt aan `wezen en hoofdzaak'). Ze hoopten dat er slechts twee partijen zouden zijn in de kerk. Strijd tegen de modernen, die uitgedreven moesten worden. Over de strijdmethode bleef verschil van mening bestaan. Binnen de regels blijven of er buiten gaan, maar de kerk mocht niet uit elkaar vallen. Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

§7. Zorgen van de synode

Het modernisme voelde zich wetenschappelijk steeds zekerder. Zo groeide het verzet en kwamen de partijen scherper tegenover elkaar te staan. De synode probeerde deze tegenstellingen te overbruggen. `Het vrije onderzoek van bijbel en christendom mocht niet belemmerd worden.' Maar in 1860 kwam op de synode een vraag van J. Witkop van Zutphen: Is de ontkenning van de opstanding van Christus als historisch feit niet in strijd met de proponentsbelofte? Grote discussie over en weer. De synode vond ontkennen onverenigbaar met de onderschrijving bij toelating tot predikdienst, maar wilde niet ingrijpen. Dat was het werk van de Provinciale Synoden.

Volgende kwestie was die van de visitatievragen. Meerdere kerkenraden weigerden de vraag te beantwoorden over de onberispelijkheid van de kerkenraadsleden in belijdenis en wandel. De zaak werd op de spits gedreven door Utrecht o.l.v. A. Kuyper. Die weigerde schriftelijke vragen te beantwoorden voor een synode die gedreven wordt door mensen met wie zij geen geloofsgemeenschap hadden. De synode besloot toen de vragen naar belijdenis en wandel alleen te stellen bij persoonlijke visitatie. Veel voorstellen kwamen ook over de handhaving van de leer. Moest geschrapt worden, om rechtmatige, echt protestantse vrijheid in bescherming te nemen tegen haar bestrijders. De synode verklaarde alleen dat de zin over handhaving van de leer geen kerkrechtelijke strekking heeft.

De confessionele vereniging diende een bezwaarschrift in tegen de afwijking van de trinitarische formule die veel predikanten bezigden bij de doop. De synode deed geen uitspraak over de geldigheid van een `afwijkende' doop, maar keurde deze afwijkingen wel af. Een praktische overweging, niet theologisch. Verklaring die tot niets verplichtte. Onderwerping hing af van de willekeur van predikant of gemeente. De synode deed toen een beroep op de goede gezindheid en de conscie ntie van de medebroeders. §8. Benoeming en beroeping aan de gemeenteleden toevertrouwd

De praktijk van het herziene Reglement inzake beroeping en benoeming werd pas veel later gerealiseerd. De invoering leidde ertoe, dat vooral in de gemeenten waar de kerkenraad modern was, de rechtzinnigen probeerden hun vertegenwoordigers in kiescollege en kerkenraad te krijgen, wat vaak lukte. De ASC betreurde dat de liberaliteit verdwenen was. Onverdraagzaamheid. De niet-orthodoxen (Groningen en Leiden) waren niet erg vitaal in deze kwestie. Dit tot groot plezier van de rechtzinnigen.

§9. Zorg van de synode voor het geestelijk leven in de kerk

Toch had de synode energie om maatregelen te nemen om het geestelijk leven te bevorderen in de kerk.

Bijbelvertaling:

De ASC werd in 1850 gemachtigd om een nieuwe bijbelvertaling van de grond te helpen. Bezwaren waren er zeker, m.n. van Utrecht.

NT-vertalers in 1853 benoemd. Vertaling was gereed in 1865. Die werd uitgegeven zonder OT. De synode stelde zich niet aansprakelijk voor de vertaling.

De vertaling is er nooit ingekomen. Niet zozeer om de tekstkritiek, als wel om de theologische gedachtengang. Men wantrouwde de inbreng van Leiden en

Groningen.

De vertaling van het OT is nooit gereed gekomen. Teveel meningsverschillen, ontbonden in 1872.

I. Hooykaas (remonstrant) ondernam een nieuwe poging met o.m. Kuenen. OT werd vertaald en uitgegeven in twee delen: 1899 en 1901. Oort werkte alleen door en zorgde voor de vertaling van het NT. Deze Leidse vertaling kwam in 1912 uit. Vervolgbundel:

Positiever gewaardeerd werd de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen. Gepaste gezangen werden gemist. De zaak kwam goed op gang toen B. ter Haar en N. Beets in de commissie kwamen. In 1862 een ontwerp. Bezwaren van Oort: somber en niet die van een blijmoedig christen. Bloed en wonden.

Klassieke liederen moeten in een aanhangsel.

Er kwam een nieuw ontwerp (met klassiekers in aanhangsel) dat werd aanvaard in 1866. De Vervolgbundel had het karakter van een compromis, maar bijbelser dan de Evangelische Gezangen. Late vrucht van het Re veil met aansluiting aan de Schrift, Reformatie en de geest van het Duitse Pie tisme. J.G. Bastiaans (een organist) componeerde er de melodiee n bij. De confessionelen erkenden de bevoegdheid van de synode niet en verzetten zich sterk.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen