Menu

De flora is onder te verdelen in een diversiteit aan zones over Europa.

  • In het Noorden treft men periglaciaire toendralandschappen aan. Kenmerkend is het open karakter van het landschap, met weinig bomen. Vandaag is dit landschapstype alleen nog te vinden in de uiterste periferie.
  • Iets zuidelijker, met name in het noorden van Scandinavië en het noorden van Rusland gaat het vooral om boreaal bos of taiga. De meest voorkomende bomen in dit landschapstype zijn coniferen en berken.
  • Het grootste deel van Europa bevindt zich vandaag in een landschap dat gekenmerkt wordt door gemengd loofwoud, met als belangrijkste boomsoorten de iep, hazelaar, linde, eik, els, en dergelijke meer.
  • Een heel ander landschapstype is te vinden in het zuiden van Rusland en het oosten van Europa, namelijk de steppe. Dit zijn semiwoestijnachtige gebieden met uitgestrekte open vlaktes.
  • Tenslotte hebben de kusten van de Middellandse zee een typisch mediterraan milieu
Lees meer...

Environnementeel Kader

Klimaat

Er vond een snelle verbetering van het klimaat plaats in de overgang van het Pleistoceen, (een tijdperk dat gekenmerkt wordt door zijn ijstijden), naar het Holoceen ongeveer 10 000 jaar geleden. De twee belangrijkste klimaatsperiodes voor de tijd die het vak Protohistorie omvat zijn het Subboreaal (5000-2700 BP) en het Subatlanticum (2700 BP-nu).

Het Subboreaal vormt een klimaat dat droger was dan het Atlanticum met een continentaal klimaat. In deze periode verschijnt de beuk, later gevolgd door de olm en de notelaar. Deze bomen vervingen in de eerste plaats de linde. De veenvorming uit het Atlanticum zet zich verder maar neemt af qua intensiteit. De impact van de mens stijgt echter: door de ontbossing voor de toenemende landbouw verzanden de gronden, wat leidt tot heidevorming en winderosie.

1620 v.C. vormt een sleutelmoment in de ecologische visie op de protohistorie door de vulkaanuitbarsting van de Thera op Santorini. De implosie van de vulkaan leidde tot een tsunami en droeg zo bij tot de verwoesting van de Minoïsche sites. Uit dendrochronologische sporen zien we een degradatie (vochtiger en kouder) van het klimaat, daar het vrijkomen van stof het zonlicht belemmerde.

Gedurende het Subatlanticum vond er een stabilisatie plaats die leidde tot het huidige klimaat. Hierbij werd het natter en kouder (rond de 16°C). In deze tijd kwam er een uitbreiding van zowel beuk als haagbeuk, zien we toename van de heidegrond en steeg de eolische activiteit. Het Subatlanticum begint wereldwijd met een nattere fase rond 850-750 v.C. Dit is te verklaren door een schommeling in de zonneactiviteit en in verband te brengen met het Hallstatt-plateau. Het Subatlanticum blijft een periode vol klimaatschommelingen. Zo kan men in Caesars ‘De Bello Gallica’ lezen over een besneeuwd Gallië.

Lees meer...

Absolute chronologieën

De absolute opdeling is pas ontwikkeld in de tweede helft van de 20e eeuw, maar blijft ontzettend moeilijk door zowel de afwezigheid van metaal in graven als door een gebrek aan goede stratigrafische nederzettingen in bepaalde gebieden. Daardoor is het moeilijk om aan te knopen bij de absolute dateringen die in andere gebieden (zoals Frankrijk of Duitsland) gelden.

De bekendste is zonder twijfel de C14-methode, in 1949 door Libby ontwikkeld. Hierbij controleert men de verhouding 14C/12C in organismen. Het instabiele 14C wordt vanaf de dood van het organisme, en dus het einde van de opname van zuurstof, omgevormd tot 14N volgens een halfwaardetijd van 5736 jaar. Door middel van dendrochronologie kan de 14C-verhouding gecalibreerd worden met een absolute tijdsschaal. Hierbij dient men rekening te houden met een afwijking in de curve qua tijd in de periode v.C. Voor deze periode wordt organisch materiaal met de C14-methode te jong gedateerd. Daarnaast zien we een onverklaarbare knik rond 2500/2400 BP (before present), ook wel het Hallstatt-plateau genoemd. Deze periode in de vroege IJzertijd heeft een te brede gekalibreerde datum.

Een tweede wetenschappelijk hulpmiddel is dendrochronologie. Men dateert op basis van de jaarringen (opgebouwd door grotere cellen) die bomen ieder jaar vormen in de lente. De evolutie hiervan is afhankelijk van klimatologische omstandigheden, de boomsoort en de streek van herkomst.

Enkele vaak voorkomende problemen bij datering aan de hand van jaarringen zijn:

  • Meerdere jaarringen zijn nodig voor een correcte datering (minstens 50).
  • Dan nog steeds liefst in een periode met klimaatpieken, anders krijg je een moeizame vaststelling. In Vlaanderen is dit bijvoorbeeld een groot probleem.
  • Het kunnen terugvinden van houten artefacten.

Voorbeelden van toepassingen van dendrochronologie vind je bij de Deense boomstamgraven, die een goede bewaring garandeerden van organisch materiaal, en de paaldorpen uit de Bronstijd die bij droge zomers terug boven water kwamen te staan. Dit laatste fenomeen is op grote schaal toegepast in Zwitserland, Frankrijk, Duitsland en Italië.

Chronologisch schema

Voor Europa kunnen we spreken van een kopertijd, gezien er gedurende een lange periode metalen objecten in Europa van koper gemaakt werden. Het begin en einde van de kopertijd is echter geografisch gebonden, maar in het geheel dekt deze kopertijd de hele tweede helft van het derde millennium v.C. In sommige gebieden begint deze periode zelfs vroeger. Schematisch gezien kunnen we de Bronstijd indelen in drie periodes, waarbij we het einde van de kopertijd situeren vanaf de tweede helft van het derde millennium v.C. In vele streken, zoals de onze, is dit later, tot 1800 v.C.

  • Vroege Bronstijd: loopt tot 1800
  • Midden Bronstijd: tot 1400 voor Centraal- en Oost-Europa, tot 1100 in West-Europa
  • Late Bronstijd

Rond 800/700 is er een klimatologische overgang die de IJzertijd inluidt.

  • Vroege IJzertijd tot 500
  • Late IJzertijd, die bij ons eindigt met de inval van de Romeinen in de 1e eeuw v.C.

Een algemene opmerking hierbij is dat de periodisering streekgebonden is. Er is dus sprake van geleidelijke overgangen tussen de diverse periodes.

Lees meer...

Chronologie van de metaaltijden in Europa

Relatieve chronologieën

In de eerste plaats maakt men gebruik van relatieve chronologieën. Dit omdat we nog steeds een schriftloze periode kennen, waardoor absolute data moeilijk te achterhalen zijn. Deze relatieve tijdsindelingen komen echter niet overeen over heel Europa, en zijn afhankelijk van ondermeer de aanwezigheid van ertsen in een bepaald gebied. Meestal wordt toch gewerkt met enkele algemeen aanvaarde chronologieën. Voor een gedetailleerder beeld van een bepaalde regio echter, moet gewerkt worden met regionale en nationale chronologieën.

Een belangrijke figuur is de Zweed Oscar Montelius (1843-1921). Dankzij zijn brede kennis van de Europese archeologie kon hij, vertrekkende uit gesloten contexten in Scandinavië en de rest van Europa, een periodisering voorstellen waaraan hij zelfs absolute data kon linken. Zo onderscheidde hij zes periodes in de Scandinavische Bronstijd. Deze duidde hij aan met Montelius I-VI. Door deze opdeling vormt hij de grondlegger van typologie. Dit is een methode waarbij objecten in groepen worden geplaatst en deze types worden gerangschikt. Hierbij gaat men ervan uit dat men de technologie steeds beter onder de knie kreeg, en houdt men rekening met “modeverschijnselen”. Een voorbeeld is de evolutie van de bijl, waarbij men afgaat op de veranderingen in het hechtingssysteem. Dit werd steeds aangepast om zo het klieven te verhinderen. De verschillende stadia zijn achtereenvolgens:

  • Vlakbijl: een kopie van de stenen bijl, waarbij dus geen voordeel uit het brons werd gehaald
  • Randbijl: met een lipje en een hiel, wat slechts kan door metaalgebruik
  • Hielbijl: in één stuk gegoten systeem
  • Vleugelbijl: lipjes worden groter en een hiel is afwezig
  • Hulsbijl: hout in het metaal verwerkt ipv vastgenomen

En ander voorbeeld is de evolutie van het zwaard. Men kan kijken naar de overgang van lemmet en greep. Hierbij merkt men een verandering op in de nietgaatjes, de plaats waar het lemmet in het hout zit. Aanvankelijk was dit slechts een klein stukje, maar om de kwetsbaarheid te verminderen kwam er een steeds grotere, zwaardere hiel en een tweedelige greep, tot het zwaard in eenmaal geassembleerd kon worden. Tevens is er een evolutie in de mode van de lemmetvorm: van slag, naar steek en terug naar slagfunctie.

De Duitse grondlegger in de typologie is Paul von Reinecke (1872-1958) uit het begin van de 20e eeuw. Hij deelde de Zuid-Duitse bronstijd en vroege ijzertijd in 6 fasen in: Bz A-D en Hallstatt A-D, elk met hun onderverdeling. Bz A komt overeen met de vroege bronstijd, Bz B en C met de middenbronstijd en Bz D, Ha A en B met de late bronstijd. Ha C en D behoren dan weer tot de ijzertijd. Zijn theorieën voor een indeling voor Centraal-Europa werden later aangevuld door Hermann Müller-Karpe.

De Franse indeling werd door Joseph Déchelette (1962-1914) gecreeërd en door Jean-Jacques Hatt uitgewerkt. Déchelette splitste de ijzertijd ook in twee periodes op: een Hallstatt-periode (vroege ijzertijd) en La Tène (late ijzertijd). Door het gebruik van de term Hallstatt, ontstond wel de verwarring tussen de Hallstatt-periode (zoals in Centraal-Europa begrepen als de late bronstijd), en de Hallstatt-cultuur ( zoals Déchelette, de vroege ijzertijd noemde).

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen