Menu

Eerste Bismarck-systeem (1872-1878)

= eerste fase van het Europese machtsevenwicht met Berlijn als ‘arbiter’

 Bismarck wil Oostenrijk & Rusland in een coalitie samenkrijgen, met als doel Fr. isoleren

1872: Driekeizersentente: Russische Tsaar, Duitse keizer & keizer v. O-H

 bestaat uit 2 verdragen:

- 1873: Duits-Russische Conventie: wederzijds bijstandsverdrag, als één van beide aangevallen wordt komt de andere te hulp

- Russisch-Oostenrijkse Conventie: minder sterk dan bovenstaand verdrag, een afgezwakt solidariteitsverdrag. Een politiek engagement dat men elkaar de duvel niet zal aandoen, en zal steunen als men problemen ondervindt.

1875: Balkancrisis: = nieuwe fase in de Oosterse kwestie (die nog tot WO I doorloopt)

opstanden in Servië: men wil Ottomaanse juk afwerpen  Servisch-Turkse oorlog

 Rusland gaat onder het mom van pan-slavisme (steun aan onafhankelijkheid voor de

slavische volkeren) de oorlog verklaren aan het Ottomaanse Rijk en zo gebruik

maken van de situatie om haar controle over de zee-engten te verstevigen[1]

Turks-Russische oorlog, waarbij een Groot-Bulgarije ontstaat

 voordelig verdrag v. San Stefano waardoor controle v. Rusland over de zee-engten

en haar zo steviger geworden geopolitieke aanwezigheid voor ongerustheid bij

Oostenrijk & U.K. zorgt Rusland vormt nu bedreiging voor Britse vloot, en er dreigt

oorlog tussen Rusland & U.K. te komen…

 Bism. vreest oorlog & komt om dit te vermijden & de situatie te stabiliseren

tussenbeide  roept de grootmachten samen op Conferentie v. Berlijn (1878):

  • Groot-Bulgarije geamputeerd en onder soevereiniteit Ottomaanse Rijk (= maatregel tegen Rusland)
  • Roemenië, Montenegro: formeel onafhankelijk (= maatregel pro-Rusland, want betekent eigenlijk dat beide in de Russische invloedssfeer vallen)
  • Bosnië-Herzegovina: protectoraat onder Oostenrijk-Hongarije (pro-O-H)
  • Servië blijft onafhankelijk (= maatregel pro-Rusland)

 toch frustraties:

 Bismarck beseft dat de basis van zijn stabiliteitspolitiek wankel is

 Rusland voelt zich benadeeld & vindt dat Bismarck teveel aantrok voor

Oostenrijk & U.K.  trekt zich terug uit de Driekeizersentente

 probleem! Mogelijkheid dat Rusland & Fr. een anti-Duitse coalitie vormen!
 Bismarck tracht Rusland weer tevreden te maken & zijn systeem weer

stevig op zijn poten te zetten in zijn tweede Bismarck-systeem

Lees meer...

Fase I: 1871-1896: Bismarck Systeem (=Klassiek spel machtsevenwicht)

Bismarck-systeem: Bismarck wordt de arbiter van de machtsverhoudingen in Europa

 maakt nog steeds gebruik van het systeem v. geïnstitutionaliseerd wantrouwen waarbij
er geen sprake is v. permanente bondgenoten/vijanden, de eigen belangen overheersen!

doelstelling: status-quo met oog op behoud machtspositie Pruisen/Duitsland

 I.p.v. pogingen tot verdere machtsuitbreiding besluit Bismarck de reeds geboekte
winst te beschermen, en de andere grootmachten niet langer uit te dagen

 Bismarck gaat dit doen door anti-Duitse coalities te verhinderen

concreet: Frankrijk isoleren, want Fr. had nog revanchistische gevoelens sinds de

vernedering & het verlies van Elzas-Lotharingen in 1870

 een rampscenario, zoals een as Frankrijk-Rusland moet vermeden worden

Hoe?:

- aanwakkeren imperialisme: om op deze manier Fr. van haar revanchistische gevoelens af te leiden  Bismarck geeft Fr. de kans haar verloren glorie te herwinnen, maar dan buiten Europa. Fr. krijgt de kans haar invloed op wereldschaal te vergroten en zoals U.K. een rijk binnen én buiten Europa uit te bouwen…

 zo zal de koloniale ambitie v. Fr. (waarvan men dacht dat het begin 19e eeuw

verdwenen was) terug opduiken (~ toen men dacht dat de nationaal-liberale

opstanden lang voorbij waren maar dit recentelijk in Joegoslavië terug uitbrak)

- goede relaties nastreven:

U.K.: stabiliteit, want is tevreden dat Bismarck de situatie op het continent stabiel
tracht te houden en het zich daar dus zelf niet mee bezig hoeft te houden +
tevreden dat Bismarck geen overzeese concurrent is

Oostenrijk & Rusland: moeilijker omwille van Balkan-rivaliteit, beiden willen een

stevigere machtspositie in de Balkan (zie Oosterse Kwestie, die nog altijd

aansleept want er zijn ook nooit internationale spelregels over gemaakt)

 Oostenrijk: vrij goede relaties want de vorige oorlog eindigde zonder

vernedering en met een milde vrede.

 Rusland: doet soms provocerende acties, die Bismarck vervolgens met de

mantel der liefde tracht toe te dekken. Door Rusland niet in de weg te lopen
tracht Bismarck de sympathie te winnen  Vb.: wanneer Rusland de

neutraliteit v.d. Zwarte Zee schendt komt U.K. uiteindelijk niet tussen en komt

het Pontusverdrag tot stand, waardoor Ru. ontslagen wordt v. deze neutraliteit

Lees meer...

uitholling internationaal status-quo

Berlijnse wereldorde = Europees status-quo onder Duitse leiding  evolutie:

- Fase 1: 1871 - 1896: Klassiek spel machtsevenwicht

- Fase 2: 1891 - … Europees imperialisme (= nieuwe bron v. bijkomende competitie)

- Fase 3: 1896 - 1914: ‘Helse spiraal’: Weltpolitik & machtsevenwicht

 vanaf 1896 gaat Duitsland ook deelnemen aan het imperialisme met de Weltpolitik

(Wilhelm II wil ‘een plek onder de zon’)  mondt uit in WO I

uitholling internationaal status-quo:

- Industriële revolutie: gevolgen voor onderlinge machtsverhoudingen grootmachten

 verschillende groeiritmes (zie grafiek)

 V.S. neemt rol over als economische

leider in de wereldeconomie

 in Europa kan U.K. z’n positie

onmogelijk behouden en is Duitsland de

grootste groeier  heeft grote gevolgen

voor politieke machtsverhouding (Duitsl.
zal niet meer aanvaarden dat U.K. haar
de les spelt, en eist zelf pol. macht op)

- Imperialisme (mondialisering):

wereldwijde competitie: zet staten tegen
elkaar op, naast de universele wet dat
staten sowieso altijd botsende belangen &

conflict hebben (soms oorlog, soms niet)

Groeiende ongelijkheid in de wereld: rijken worden sneller rijk dan armen, kloof ↑

hoe beheren?: machtsevenwicht: ‘Bismarck-systeem’ = een specifieke nieuwe versie

van het oude mechanisme van machtsevenwicht als regulator van interstatelijk conflict

Lees meer...

uitholling binnenlands status-quo

Industriële Revolutie:
definitie: proces dat vanaf 1848 tot WO de hele samenleving in al haar aspecten, zowel

op binnenlands als buitenlands vlak, zal beheersen & beïnvloeden. Het gaat om een

reeks technologische doorbraken met heel belangrijke maatschappelijke gevolgen

kenmerken eerste Industriële revolutie (vanaf 1760 in U.K., tot ±1850)

= 3 S’en: stoom (nieuwe energiebron), spoorweg, staal

kenmerken tweede Industriële Revolutie (start even voor I.R. 1 eindigt)
nu ook verspreiding naar het continent (eerst België!) en de rest van de wereld

nieuwe energiebronnen: elektriciteit

 verbetering van transport & communicatie (vb. tel.: directe verbinding is revolutionair!)

 ook nu is er zo’n soort revolutie aan de gang, en nu is de computer de essentiële motor

van de vooruitgang. (vroeger stoom bij I.R. 1, en elektriciteit bij I.R. 2)

hertekening van de politieke krachten

 de ondernemers aan het hoofd van de vorige orde moeten plaats ruimen.

nieuwe machtsverhoudingen in de samenleving:

- nieuw soort patronaat: er is altijd een patronaat geweest, maar het nieuwe patronaat vloeit rechtstreeks voort uit de geest v.d. I.R. en ontstaat door vermenging van kapitaal & industrie, een versmelting van financiële & economische macht.

- nieuwe soort arbeidsklasse: grote bedrijven leiden tot het grootschalig groeperen van arbeiders (komen van ver om ergens te werken)

 langzaam groeit ‘n duidelijk besef v. verbondenheid & gemeenschappelijke belangen

Tweedeling van samenleving (ook fysiek): zorgt voor dynamiek van veranderingen

nieuwe politieke uitdagers

 oorzaak: hypocrisie van 19de eeuwse liberalisme: eens de liberalen, de vaandeldragers

v.h. nieuw patronaat, zich stevig hadden gesettled aan de machtstop wilden ze ook a.d.

macht blijven & de status-quo behouden. Ze werden zelf conservatief & behoudsgezind.

 patronaat omarmt de liberale waarden, maar beperkt de gecreëerde welvaart tot een

selecte groep, terwijl een veel grotere groep armen hier buiten valt.

 reactie: Democratische beweging: neemt rol over v.h. vroeger subversieve liberalisme

sociologische achtergrond: middenklassen[1]: is een tussengroep, de ‘radertjes’ van

de I.R. die nodig zijn om het systeem te doen werken. Zij willen politiek aan bod

komen, en naast plichten ook rechten  arbeiders geen dragers v. deze beweging!

 willen universaliteit: politieke rechten en vrijheden voor iedereen

centrale eisen:

  • Algemeen stemrecht
  • Veralgemeend en verplicht lager onderwijs, los van de Kerk (anti-klerikalisme!) mede opdat mensen hun rechten & plichten zouden kennen

 volgens anderen is stemrecht echter niet voldoende, want dit zou niks aan de sociale

segregatie veranderen en lotsverbetering blijft onmogelijk. Socialisme & anarchisme

vormen de radicalisering v.d. democratische beweging (die op zich reeds een

radicalisering v.h. liberalisme was)
 zelfde sociologische achtergrond, maar verschillende tactiek & visie.

Socialisme: i.t.t. het liberalisme (waarbij het individu centraal stond) staat bij het

socialisme de groep centraal. Men wil een georganiseerde arbeidersbeweging, die

voor een gevoel van verbondenheid en een identiteit zorgt.

moreel protest tegen pauperisme: men eist verandering, want de slechte

situatie & levensomstandigheden zijn uitzichtloos
rationele revolte tegen onlogisch economisch systeem: vrije markt = resultaat

v.e. dynamiek met afwisselend sterke vooruitgang (booms) & crisisperiodes

(buzzes)  altijd dezelfde winnaars & slachtoffers = liberaal maar onlogisch

 socialisten pleiten vr trage rechtlijnige groei & welvaart, i.p.v. golfbeweging

 oplossing: eis tot collectief bezit v.d. productiemiddelen, collectivisering.

socialisme is een totaalfilosofie (~liberalisme) met een sterke identiteit, waarbij

de groep centraal staat, & men pleit voor een alternatieve samenleving

 ook internationalistisch, anti-klerikaal, anti-nationalistisch & anti-militaristisch

Anarchisme: rijke maar disparate traditie, een radicale vorm van socialisme

 inspiratie: Rousseau: mens is van nature goed maar bezit maakt hem slecht.

Men wil de bevrijding van het individu (≠groep! Verschil met socialisme)

 alternatieve politiek: individuele actie i.p.v. collectieve actie

extreme versie: terrorisme: men wil de ‘vonk’ zijn die de revolte overbrengt op
de massa, opdat die in actie zou schieten. Men pleegt aanslagen op symbolen

van de burgerlijke stand (stadhuizen,…)  maakt echter meer slachtoffers

onder de arbeiders dan bij de tegenstanders. Dit sterkt de staat alleen maar …

 te vergelijken met Djihad-terrorisme nu.

 anarchisme zal verdwijnen wegens het succes van het socialisme.

instrumenten status-quo: hoe gaat men de politieke uitdagers te lijf?

- negatief instrument: repressie: neutralisatie van alle vormen van arbeidersorganisaties  met dit middel alleen kan een systeem zich echter niet handhaven, want men moet de rest van de wereld ook kunnen overtuigen van de legitimiteit van het heersende systeem (saus!), anders komt er reactie v. buitenaf

- positief instrument: nationalisme: middel om de opkomende middenklasse, de motor van de democratiseringsbeweging, los te weken van de arbeidersklasse.

 overal gaan elites het nationalisme stimuleren. het nationalisme is de ‘schelp’, het

omhulsel van de échte (real)politiek  krijgt feitelijk een behoudsgezind,

stabiliserende invulling, gebruikt om de bestaande orde te legitimeren en tegen

drukkende krachten & politieke uitdagers op te treden.

 leidt tot ontstaan natiestaat, een staat ingevuld op basis van een natie

 natie: sinds Fr. Rev. geleidelijk aan ontstaan (elke natie heeft recht op een staat)

 staat: politiek stelsel gekenmerkt door soevereiniteit & traditionaliteit (concept
‘staat’ ontstaat in 1648 met het verdrag van Westfalen)

- sociale zekerheid: in 1881 door Bismarck ingevoerd  Bismarck is conservatief en denkt alleen aan de belangen van z’n eigen klasse. Dit is enkel een instrument om de stabiliteit te handhaven: ‘de staat zorg voor u’ (pensioen op 65)

mondialisering in de geesten (mentale mondialisering)

einde van de staat?:

- liberalen: vrijhandel veegt de staatsgrenzen als het ware weg

- socialisten: mondiale klassenstrijd  de kern is niet de botsing tussen staten, maar wereldwijd tussen de arbeiders en het patronaat (staat speelt geen rol!)

Nooit meer oorlog?: Norman Angell, The Great Illusion: geen oorlog meer want er staan

teveel economische belangen op het spel. Het is een ‘illusion’ te denken dat oorlog nog

zin heeft, en zo heeft ook de opdeling v.d. wereld in staten geen zin meer.

Wereld anders organiseren? (vb. idee Saint-Simon om een Europese regering te

vormen, wat echter pas weer ernstig genomen werd bij de opgang v.d. EGKS)

- internationale arbitrage: bij interstatelijke conflicten moet een reeks rechters oordelen,

zodat er nooit oorlog is. (~op handelsvlak met het WTO[2])

- Interparlementaire unies: samenwerking tussen parlementen zal geleidelijk aan uitgroeien tot een wereldparlement (socialisten probeerden dit reeds)

- Internationales: samenwerking over de grenzen heen (zoals eerst de socialistische partijen, en later de liberale en christen-democratische dit deden)

- Wereldregering: alle macht bij één centrale regering

 komt allemaal niks van in huis doordat de natiestaat zich blijft opdringen. De ideeën

komen de laatste 10tallen jaren echter weer op de voorgrond…

samengevat:

‘Raadsels i.p.v. eenvoudige politieke waarheden’ (< B. Tuchman): de wereld in de

18de/19de eeuw lijkt nu vrij logisch, maar in die tijd ging alles er heel chaotisch aan toe

voor de mensen uit die tijd.

geloof in maakbaarheid van de samenleving

botst met toenemend pessimisme door gevoel van complexiteit, machteloosheid,

zoeken naar zondebok (joden!), succes van het nationalisme,…

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen