Menu

Hybried model: New Institutional Economics

Douglas North is de vader van de New Institutional Economisc (NIE) en Nobelprijswinnaar economie. Het sleutelwoord hier is Institutions: de regels van de maatschappij waarbinnen de productie plaatsvindt. Er is een onderscheid tussen:
- formele regels: tollen, grondwet, andere wetten, …
- informele regels: gedragsregels, culturele tradities, afspraken, …
Dit model is (deels) liberaal. Deze instituties zijn bepalend voor de transactiekosten (geen echte productiekosten) (Epstein, J.L. van Zanden). Deze zijn zeer moeilijk te berekenen: het is gelijk aan alle andere kosten buiten de productiekosten om te produceren, bv. gerechtskosten, verplaatsingskosten, patenten, tijd die men uitrekt voor een sollicitatie, … Het zijn hinderpalen. Au font is het een Smithiaans markteconomisch denken. Instituties zijn remmend, zo weinig mogelijk regels dus.

Lees meer...

Hybriede model: wereldsysteemanalyse

Model van de wereldsysteemanalyse: Immanuel Wallerstein. Hij noemt zichzelf marxist, maar het is ook een (internationaal) geografisch model: met kern – periferie. Er is een asymmetrische indeling van de economische organisatie ‘boven’ de politiek (holistisch). De arbeidsstructuur wordt bepaald door warenproductie. Het model houdt zichzelf in stand door de ongelijke uitwisseling van goederen (afgewerkt in de kern, grondstoffen en half afgewerkt in de periferie), een ongelijke arbeidskost (duur in de kern, goedkoop in de periferie) en een ongelijke organisatie van de arbeid (vrij in de kern, en onvrij in de periferie). Tijdens de middeleeuwen was de strook Nederlanden tot Noord-Italië de kern. Oost-Europa, Spanje en Portugal waren de periferie. Men maakt winsten op transport. We
12
spreken van een ‘hybried’ model aangezien het gaat over ruilen. Het is deels een machtsmodel en deels een klassemodel.

Lees meer...

Commercialisatiemodellen

De aanwezigheid van voldoende vraag en aanbod en van een vrije markteconomie liggen aan de basis van economische groei.
Adam Smith (ook wel de vader van de klassieke liberale economie genoemd) ziet in de 18de eeuw de Engelse economie als eerste van de wereld enorm groeien. Hij reageerde tegen het mercantilisme: niet de staat, maar de markt is belangrijk (ook voor innovatie). Vooral vanuit de vraag (meer nog dan het aanbod) moet de stimulans komen. Hij gaat er van uit dat gedragingen van de mens worden bepaald door eigenbelang. De markten reguleren dat eigenbelang, en dit is ten gunste van de maatschappij: er is meer productie, en uiteindelijk is het ook ten gunste van de mens zelf. Het nastreven van individueel belang zorgt voor algemene welvaart.
Dit leeft door tot de dag van vandaag, met een belangrijke revival in de jaren ’90. Er zijn vele variaties op dit model:
 Von Thünen-model: 19de eeuw: Smithsiaans model met nuances: men moet ook rekening houden met de productiekosten, en dan vooral de transportkosten. Bossen liggen het dichtst bij de stad, aangezien het vervoer namelijk duur is). Dit is dus een geografisch model.
 Bruce Cambell en Richard Britnell: vertegenwoordigers van het hedendaagse Smithiaanse marktmodel.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen