Menu

De structuur van de landbouweconomie in de long run

De relaties tussen heren en boeren, en de relaties tussen de boeren onderling en de structuren van de middeleeuwen worden bepaald door:
- Seigneurie banale: de banale heerlijkheid: de toestand waarbij men gebruik maakt van het recht om te bevelen en te heersen
- Seigneurie foncière: heerlijkheid van de onroerende goederen: de toestand van macht, geconcretiseerd door het bezit van immobiliën.

Lees meer...

Conjunctuur en prijzen en lonen

Er zijn verschillende soorten prijzen en lonen: lonen zijn in steden vaak anders dan lonen op het platteland. Niet altijd waren de kosten bijvoorbeeld inbegrepen, er was een verschil tussen winterlonen en zomerlonen (een werkdag was niet even lang in de winter), stuklonen waren geen uurlonen, maar werden uitbetaald op basis van prestatie, etc.
Prijzen: ideaal zijn de marktprijzen, maar zelfs daar heb je een inkoopprijs en een verkoopprijs. ‘Verdingde’ prijzen zijn prijzen die men betaalde om producten in natura om te zetten in producten in geld. Geestelijke instellingen kregen vaak ook privileges: goedkopere prijzen. Dit alles maakt de conjunctuurstudie moeilijk.
Lonen: er is een verschil tussen reële en nominale lonen. Vaak wordt het nominale loon echter omgezet in reëel loon (en dan vaak in graan: een belangrijk element voor iedere mens). Prijzen hebben een relatief vast patroon gehad:
- Korte termijnschommelingen: granen hebben vaak een vaste verhouding qua prijs: tarwe is duurder dan rogge is duurder dan gerst is duurder dan haver. Bij schaarste worden de prijsverschillen daartussen geringer, maar het normaliseert zich terug op hetzelfde niveau wanneer er weer voldoende graan is. Verklaring: bij schaarste doet zich ook een verandering voor in de vraag: men zal overschakelen op de goedkopere granen.
- (half)lange termijnschommelingen: ook Kondratieffs genoemd. In een A-fase stijgt de bevolking, stijgen de graanprijzen, stijgen de nominale lonen, dalen de reële lonen (omgekeerd evenredig). Reële lonen geven niet het volledige inkomen weer (structurele werkloosheid). In de B-fase is het net omgekeerd.

Lees meer...

Aanbodzijde: productie en productiemethodes

Makkelijker te achterhalen aan de hand van de productiecijfers. Er blijven echter problemen met de bronnen: het opbrengstcijfer op zich zegt niet veel: men moet het kunnen plaatsen binnen de vruchtopvolging (braak en dries). Braak was in het Ancien Regime een geploegde grond waar nog niet in werd gezaaid, dries is het huidige braak: ongeploegd en gebruikt als weigrond voor het vee. Grond had toen recuperatieperiode nodig als braak of dries, aangezien er nog geen goede bemesting aanwezig was. De rendabiliteit wordt gedetermineerd aan de hand van de arbeidsproductiviteit: de opbrengst per oppervlakte per tijdseenheid. Hebben er agrarische revoluties plaatsgevonden in het Ancien Regime? Hier is heel wat discussie over geweest. Volgens sommigen was er een in de middeleeuwen, volgens anderen in de 18de eeuw. De bronnen voor de vroege middeleeuwen zijn de polyptieken: inventarissen van grote domeinen. Men berekende dat de opbrengst belachelijk laag lag. Het blijkt dat de cijfers niet kloppen, omdat de polyptieken geen waarheidsgetrouw beeld geven: ze vermelden maar de opbrengst nadat er al heel wat kosten vanaf zijn. Bovendien was het niet echt een armoedige landbouw: het waren grote bedrijven die extensief werden bewerkt: hoge arbeidsproductiviteit. Bovendien waren de investeringen gering: men had daar geen noodzaak aan: men beschouwde de opbrengsten als voldoende. Georges Duby, een van de bekendste historici van de 20ste eeuw, ziet een sterke verbetering na het jaar 1000. Waarschijnlijk heeft hij ongelijk: er waren wel verbeteringen, maar met onvoldoende belang voor de arbeidsproductiviteit. In de 11de eeuw ziet men een overgang van ossen naar paarden, voor het eerst in Vlaanderen. Er komt ook een overgang van eergetouw naar ploeg: een enorme verbetering aangezien de ploeg ook de zoden omdraait. Maar: uit archeologie en literatuur blijkt dat de ploeg al bestond in de Klassieke Oudheid. Er komen ook verbeteringen van de aanspanning van trekdieren: dit heeft het overstappen naar paarden bepaald. Het juk liet toe dat het paard kon trekken zonder zichzelf te versmachten. Er kwam echter kritiek op deze redenering, onder andere door Raepsaet die stelde dat de evolutie veel geleidelijker is gebeurd. Men stapte ook over op een efficiënter grondgebruik: een veralgemening van het drieslagstelsel: komt neer op een geperiodiseerde afwisseling van winterkoren, zomerkoren en braak. Men heeft meer nood aan zomergewassen (haver voor de paarden, bier voor de steden) en daarom heeft men dit toegepast. Ossen hadden veel terrein nodig om op te grazen, maar door de overschakeling naar paarden zien we gemene gronden verdwijnen in de loop van de late middeleeuwen. De eerste sporen van het drieslagstelsel vinden we terug in de streek van Parijs, 8ste eeuw. In de 12de eeuw vindt hiervan een veralgemening plaats. Het is geen nieuwe uitvinding, maar eerder een aanpassing aan de noden.
De drie belangrijkste elementen van het boerenbedrijf zijn: (dierlijk) kapitaal, trekkracht en bemesting. Overal in Europa ziet men de opkomst van een infield-outfield-systeem: het infield werd collectief bewerkt door de gemeenschap, meestal een open landschap, het werd constant bewerkt en geploegd en het werd nooit in dries gelaten. Het outfield werd slechts tijdelijk bewerkt, het werd gebruikt om de dieren op te houden, de bemesting hiervan werd volledig voor het infield gebruikt. Dit systeem is een manier om te ontsnappen aan het mesttekort (of dierentekort). In sommige gebieden had men een andere oplossing: het uitschakelen van braak en dries in het systeem. Proefondervindelijk kwam men erachter dat sommige vruchten de grond niet uitputten, maar grondverbeterend werkten: die werden dan gezaaid tijdens de braak. Dit zorgt voor extra inkomsten en extra voedergewassen. Het werd vooral toegepast in de
De kloosters lagen niet aan de basis van de vernieuwingen: het waren niet eens ontginners, ze namen meestal reeds ontgonnen gronden over een reorganiseerden ze.
De laat-middeleeuwse crisis: we nemen aan dat er een vooruitgang van de veeteelt is geweest: de graanprijzen gingen namelijk achteruit, waardoor men overschakelde op veeteelt. Bv. transhumance in Spanje en Italië: grote kudden verhuisden van de ene plaats naar de andere naargelang het seizoen. Ze mochten op gemene gronden grazen en stonden onder Koninklijke bescherming (het wol van de schapen was zeer winstgevend). Ook in Engeland (wol) werd heel wat akkerland omgezet naar weiland, ook met de steun van centraal gezag: enclosure movement (ook in sommige Scandinavische landen in de 18de eeuw).
In de 18de eeuw is er inderdaad wel een vooruitgang van de productie: de opbrengst per hectare stijgt (studie aan de hand van cijfers in verband met tienden). Morineau ontkracht de theorie van Le Roy Ladurie: hij wijst er op dat ook de bevolking veel is gestegen en dat dus de opbrengst per persoon achteruit is gegaan.
De beperkte vooruitgang was dus eerder geleidelijk. Geen revoluties maar evoluties, vaak onder invloed van bevolkingsdruk. Had de Vlaamse landbouw een voortrekkersol in Europa? Ja en neen: de grondproductiviteit was hoog, maar de arbeidsproductiviteit was laag.

Lees meer...

Vraagzijde: demografie (en welvaart)

Demografie (en welvaart, draagkracht van de mensen) is moeilijker te achterhalen.
Mortaliteit: paleontologisch onderzoek zou hebben uitgewezen dat de gemiddelde leeftijd van de mens hoger lag in de vroege en hoge middeleeuwen dan in de late middeleeuwen en de rest van het Ancien Regime. Mortaliteit wordt vaak gekoppeld aan de pest (builen- en longpest): het is kenmerkend voor een maatschappij met slechte hygiënische omstandigheden. De pest heeft ook de Nederlanden niet gespaard. Andere oorzaken van mortaliteit zijn hongersnood, bv. 1315-1317 (de oorzaak van hongersnood kan echter ook oorlog of speculatie zijn); oorlog, wat een intrinsiek onderdeel was van de maatschappij in de middeleeuwen: er waren een groot aantal rechtstreekse, maar vooral onrechtstreekse slachtoffers. De strategie bestond erin elkaars bestaansvoorzieningen te vernietigen. Dit veroorzaakte grote armoede. Zo ontstonden er ook grote migratiegolven naar veiligere oorden (vaak was dat de stad).
Nuptialiteit en fertiliteit: vanaf de 13de eeuw in Europa is er een relatieve overbevolking: ontstaan van het Western European Marriage Pattern: restrictief: er werd laat en weinig gehuwd (hoewel ook hierin golfbewegingen zaten, gekoppeld aan de conjunctuur). Nochtans probeerde men in de Westerse economie zo snel mogelijk te huwen: men leefde in een nucleaire gezinsstructuur: letterlijk gescheiden van het ouderlijke gezin: men heeft dus een minimumkapitaal nodig om een eigen woning te kunnen betalen.
Demografie: men vermoedt dat gedurende het Ancien Regime een lange opgaande fase zich heeft voorgedaan: na de Romeinse tijd is er een neergangsfase, een B-fase door veel ziektes en hongersnoden, ondanks het binnenkomen van Germanen bij de heroveringen. In de Karolingische tijd spreekt men van een contractiefase wanneer men de Pirenne-these volgt, maar nu denkt men eerder dat het begin van een A-fase wordt ingeluid. In de late middeleeuwen is er opnieuw een B-fase: depressie, al voor de demografische crisis, al zeker in 1315. De gevolgen van deze neergaande demografie is het ontstaan van de zogenaamde Lost villages: vele dorpen zijn in de late middeleeuwen helemaal verlaten.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen