Menu

De oorsprong van het zelfconcept

  • Zichzelf herkennen als een distinctieve entiteit (iets wat wezenlijk bestaat) is de 1e stap in de ontwikkeling van een zelfconcept. (1e fase)
    • Rond 18 à 24 maand herkennen peuters zichzelf in de spiegel. Dit is de 1e duidelijke uitdrukking van het mij-concept.
  • Mensen en apen zijn de enige “dieren” die zichzelf in de spiegel herkennen.
    • Gordon Gallup: spiegelproef met verschillende diersoorten
  • Het spiegelzelf (looking-glass-self) van Cooley stelt dat sociale factoren een noodzakelijke 2de stap uitmaken. Anderen fungeren als een spiegel voor het zelf. (2de fase).
  • G.H. Mead: mensen komen tot zelfkennis door zich af te vragen wat invloedrijke anderen van hen denken en dit beeld in hun zelfconcept te integreren.
  • Echter wat wij van onszelf denken komt vaak niet overeen met wat anderen van ons denken.
  • 5 bronnen zelfconcept:

1) introspectie,

het observeren en interpreteren van eigen gedachten gevoelens.

2) perceptie van het eigen gedrag,

het observeren en interpreteren van eigen gedragingen.

3) beïnvloeding door anderen,

Andere mensen helpen onszelf te begrijpen

4) autobiografische herinneringen

Het analyseren van het eigen verleden.

5) cultuur en zelfschema’s.

Het zelf concept beïnvloed door cultuur en zelfschema's

Lees meer...

Het zelf concept

Het zelf concept

Het zelf concept is het geheel van opvattingen van een individu over zijn/haar persoonlijke eigenschappen. Het is de cognitieve component van het zelf.

Coctail party effect:

Het vermogen om in complexe situaties te focussen op relevante stimulus. Bijv als je je naam hoort in een luidruchtige omgeving. Je selecteert bewust info ook voor je zelf oncept.

Zelf-schema's

Bepaalde overtuigingen die mensen hebben over zichzelf die invloed hebben bij het proces om informatie op te nemen over het zelf.

Zelf-reflectie is nodig om te begrijpen welke motieven en emoties gedrag veroorzaken.

Lees meer...

Waarden en wetenschap: gezichtspunten

  • Morele waarden leggen beperkingen op aan onderzoek.
  • Er zijn meerdere visies over het verband tussen waarden en wetenschap.
  • Weinigen zijn ervan overtuigd dat de wetenschap volledig waarden vrij kan zijn, maar sommigen pleiten voor het minimaliseren van de invloed van waarden op de wetenschap. Nog anderen beweren dat waarden moeten worden erkend en aangemoedigd als een belangrijke factor in de wetenschap.
Lees meer...

Experimenten: op zoek naar oorzaak en gevolg

  • Experimenten vereisen:
    • controle over de gebeurtenissen in het onderzoek en
    • volkomen toevallige toewijzing van de deelnemers aan de condities.
  • Toevallige steekproeftrekking verwijst naar hoe personen worden geselecteerd om aan een studie mee te werken, terwijl volkomen toevallige toewijzing verwijst naar hoe personen aan de verschillende condities van de studie worden toegewezen.
    • Voordeel volkomen toevallige toewijzing: garanderen dat de verschillen tussen de condities niet voorkomen uit bestaande verschillen tussen de deelnemers, maar worden veroorzaakt door het effect van de onafhankelijke variabele op de afhankelijke.
  • Experimenten worden vaak in een laboratorium verricht omdat ze de onderzoekers een betere controle garanderen over de onderzoek omgeving en ze de toelaten de relevante variabelen nauwkeuriger te meten.
  • Veldexperimenten worden uitgevoerd in natuurlijke situaties buiten het labo.
    • Voordeel: men is meer geneigd om spontaan te reageren dan in een labo.
    • Nadeel: proefleider kan minder controle uitoefenen en niet garanderen dan de deelnemers in de verschillende condities op dezelfde manier werden behandeld.
  • Experimenten onderzoeken de effecten van 1 of meer onafhankelijke variabelen op 1 of meer afhankelijke variabelen.
  • Een hoofd effect van een enkele onafhankelijke variabele veroorzaakt verschillen op de afhankelijke variabele. Dit effect is onafhankelijk van (niet gerelateerd aan) de effecten van om het even welke andere onafhankelijke variabelen.
    • Vb “De deelnemers die overtuigd waren van de agressieve intenties van de tegenstander verkozen globaal gezien zwaardere shocks dan deelnemers die geen agressie van de tegenstander verwachtten.“

⇒ Hoofdeffect van de onafhankelijke variabele X op Y

  • Vb “De deelnemers die dronken waren verkozen globaal gezien zwaardere shocks dan de deelnemers die nuchter waren.”

⇒ Hoofdeffect van de onafhankelijke variabele Z op Y

  • Men spreekt van een interactie, indien het effect van 1 onafhankelijke variabele (op de afhankelijke variabele) afhankelijk is van de waarde van een andere onafhankelijke variabele. Specifieke combinaties van waarden op de onafhankelijke variabelen hebben dus een effect op de afhankelijke variabele dat afwijkt van de hoofdeffecten van elke onafhankelijke variabele.
    • Vb “Het effect van de verwachte agressiviteit van de deelnemers bleek afhankelijk te zijn van de alcoholconsumptie van de deelnemers. Hoewel dronkenschap over het algemeen tot agressiever gedrag aanzette, was dit effect veel sterker voor die deelnemers die verwachtten dat hun tegenstander agressieve intenties had. Bovendien geldt dat het effect van agressiviteit van de tegenstander veel sterker was onder de dronken deelnemers, hoewel men over het algemeen zwaardere shocks toediende aan een tegenstander met agressieve intenties. We kunnen dus concluderen dat de manipulaties op zich (alcoholconsumptie, de verwachting dat de tegenstander al dan niet agressief zal zijn) de deelnemers niet tot de meest agressieve reacties aanzetten. De hevigste shocks werden toegediend door die deelnemers die zowel dronken waren als de verwachting hadden dat de tegenstander agressief zou reageren.”

⇒ Interactie tussen onafhankelijke variabelen X en Z.

  • Subjectvariabelen zijn variabelen die bestaande verschillen, voorafgaand aan het onderzoek, tussen deelnemers typeren. Een studie die enkel subjectvariabelen bevat en geen echte volkomen toevallige toegewezen onafhankelijke variabele, is geen experiment.
  • Statistische significante resultaten zijn uitkomsten die minder dan 5 keer op 100 toevallig voorkomen.
    • Replicatieonderzoek herhaalt het oorspronkelijke experiment om te zien of men opnieuw dezelfde resultaten bekomt.
  • De interne validiteit van experimentele bevindingen is gewaarborgd, indien de veranderingen in de afhankelijke variabele ondubbelzinnig of eenduidig aan de manipulatie van de onafhankelijke variabele kunnen worden toegeschreven.
    • Bedreigende factoren: historiek, maturatie, testeffect, instrumentatie, regressie, selectie, uitval.
  • Controlegroepen kunnen de interne validiteit versterken, maar volkomen toevallige toewijzing van subjecten aan condities is de beste waarborg voor interne validiteit.
  • Onderzoeksresultaten hebben externe validiteit in de mate dat ze te veralgemenen zijn naar andere personen, andere situaties en andere operationele definities van de variabelen.
  • Een representatieve steekproef versterkt de externe validiteit; een gelegenheidssteekproef verzwakt de externe validiteit.
  • Werelds realisme verwijst naar de mate waarin de onderzoekssituatie gelijkt op natuurlijke situaties uit de werkelijke wereld.
  • Experimenteel realisme is de mate waarin deelnemers de experimentele situatie en de procedures als echt ervaren en zich betrokken voelen.
  • Deceptie wordt soms gebruikt om het experimentele realisme te versterken en te vermijden dat de deelnemers hun gedrag afstemmen om de hypothese die de onderzoeker toetst.
  • Handlangers zijn medewerkers van de onderzoeker die zich voordoen alsof ze gewone deelnemers aan een experiment zijn maar zich in werkelijkheid gedragen op een manier die door de onderzoeker werd voorgeschreven.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen