Menu

Kenmerken

Groot aantal kopers en verkopers. Wat is belangrijk? Niet het aantal, maar: als je zeer groot aantal kopers/verkopers hebt, iedereen gaat ervan uit dat hij door zijn actie niks aan de markt verandert. Geen enkele koper/verkoper heeft perceptie dat door zijn acties hij effect heeft op de markt. Kopers en verkopers aanvaarden de marktprijs en aanvaarden dat ze daar niet veel invloed op hebben. Bedrijven zijn zowel prijsnemers als de consumenten.

Product is homogeen. Idee is dat alle benzines hetzelfde. Realiteit niet helemaal. Uitgp: homogeen product. Maakt interne concurrentie mogelijk. Enige considerans om te switchen van producent: prijs. Al de output zijn perfecte substituten.

Alle kopers en verkopers zijn perfect geïnformeerd. Dan krijg je 1 marktprijs. Als product homogeen is, weet men wanneer 1 producent meer vraagt dan marktprijs, gaat hij niet veel verkopen.

The law of 1 price. Dat garandeert dat er 1 marktprijs is voor een product.

In een markt met perfecte concurrentie is de markt verlaten perfect kosteloos. Vrije entree en vrije exit. Dat is natuurlijk extreem, dan krijg je extreme concurrentie, je kan altijd bedreigd worden door nieuwkomers, laat extreme competitie toe.

Wat heeft dat tot gevolg? 1 onderneming bekijken met zeer veel concurrenten. Een onderneming die werkt in sector met volm conc, die is prijsnemer, prijs hoger dan marktprijs-> verkoopt niets meer.

Onder de marktprijs verkopen -> geen zin, men kan dan eigenlijk niet meer of niet minder verkopen, men gaat dan de consument subsidiëren. MO: die is constant, gelijk aan de prijs.

Onderscheid korte en lange periode. Lange en korte periode onderscheiden zich met extra variabele: aantal ondernemingen.

Onderscheid van vorig hoofdstuk is dus ook hier van toepassing.

Ondernemingen hebben op KT vaste kosten. Minder flexibel dan op LT, omdat ze vaste productiefactoren hebben. Maar 2e variabele die belangrijk is: op KT is aantal concurrenten vast. Op LT is dat niet het geval, omdat je bedrijven kunt hebben die de sector verlaten of die toetreden tot de sector. Dus weer maximumflexibiliteit, zowel in keuze productiefactoren als in aantal concurrenten.

Wat gebeurt er met aanbod van 1 onderneming in korte periode?

Ondernemingen die de gangbare prijs moeten aanvaarden, hebben een lineaire opbrengstfunctie. Men kan niet prutsen met de prijs, onder de prijs verkopen heeft geen zin en boven de prijs verkopeniedereen gaat op een ander. Zo‟n onderneming op KT heeft vaste kosten. Standaardverloop van variabele kosten: toenemend en nadien afnemend grensproduct, daarmee dat die curve niet recht is.

Zo‟n onderneming kan alleen een outputniveau kiezen waarbij het verschil tss de TO en TK het grootst is, waar de winst het grootst is! Als ze weinig produceert: verlies. Het grootste verschil tss opbrengsten en kosten is in dat vb 9. De winstmaximerende output is 9.

De winstcurve is het verschil tussen die 2 curves uitgezet. De grootste winst bij output 9maximum vd winstcurve! Marginale analyse. We kunnen kijken naar MK. Die hebben een Uvormig verloop. Hoe wordt winstmaximerende output gezocht?

Wanneer MO = MK! De MO = prijs. Bij perfecte concurrentie is de prijs gelijk aan de gemiddelde opbrengst, ook gelijk aan marginale opbrengst en gelijk aan marginale kost. Dus een zodanig volume produceren waar de prijs gelijk is aan de kost. Bedrijf met veel concurrenten: output zetten daar waar men de MK net kan dekken.

Dan maakt men winst.

Drie mogelijke uitkomsten.

Als we gaan kijken naar gemiddelde kosten. De marktprijs kan groter zijn dan de gemiddelde kosten, in dat geval maakt een onderneming winst.

Supranormale winst: winst die overblijft nadat alle productiefactoren een marktconforme vergoeding hebben gekregen. Dus bovenop de vergoeding vd productiefactoren maakt hij nog extra winst = supranormale winst.

Hetgeen overblijft nadat alle productiefactoren een marktconforme vergoeding hebben gekregen.

Na vergoeding blijft er niets over, integendeel: de eigenaar moet nog geld toesteken: verlies!

En dan heb je de normale winst, er is geen supranormale winst meer.

Gemiddelde variabele kosten.

Hoeveel gaat men produceren bij verschillende marktprijzen, wat gaat dan het aanbod zijn van zo‟n onderneming? Als de prijs onder het minimum van de gemiddelde variabele kosten ligt, dan gaat die onderneming niets produceren. De kleinste variabele kost is 17.

Lager: de onderneming gaat niets produceren. Als prijs hoger is dan 17, bv 25? Marginale opbrengst is dan 25 en marginale kost die nog gedekt kan worden is 9. Dus bij prijs van 25, is output 9. Bij prijs van 31, dezelfde redenering: dan kan productie opgevoerd worden tot 10, omdat de marginale kosten nog gedekt kunnen worden door de prijs van 31. Dat stijgende deel vd MK boven het minimumpunt beschrijft het aanbodgedrag van 1 onderneming in perfect concurrentiële sector. Dat komt eigenlijk overeen met de MK boven het minimumpunt van de gemiddelde variabele kosten.

We weten nu hoe 1 onderneming zich bij verschillende prijzen gaat gedragen. Wat gaat dan het aanbod zijn van 1 sector?

Lees meer...

Marktvormen

Bedoeling is om te zien wat mate v concurrentie voor effect is op keuze van ondernemingen die ie bepaalde sector opereren.

Volmaakte mededinging en extreme monopolie: dat zie je id realiteit praktisch niet.

Volmaakte mededinging: extreem intense concurrentie.

Bij monopolie is er geen concurrentie!

Oligopolies: sectoren waar maar een paar bedrijven actief zijn, in die sectoren heb je strategisch gedrag. Speltheorie, gametheorie.

Volmaakte mededinging

Lees meer...

Outputkeuze in de lange periode

MO dalen: C zijn bereid minder te betalen voor nog meer output. Winstmaximerende output: zolang extra opbrengst groter dan extra kosten -> vermeerderen vd output.

Beste output: MK op LT = MO op LT!

De regel is nu: als de P die je van C kunt krijgen op LT kleiner is dan de gemiddelde kosten, dan maak je op LT verlies-> onhoudbaar. Die ondernemingen moeten stoppen op termijn.

Lees meer...

De outputbeslissing in de lange periode

Op lange termijn, regel: alle productiefactoren zijn variabel. Maximum-flexibiliteit op LT. Alles kan. Hoe kan ik de kosten minimeren om bepaalde output te realiseren als ik alle productiefactoren kan variëren? Principe eronder: als je moet kiezen tss bepaalde hoev arbeid of kapitaal, dat je rekening houdt met kostprijzen vd 2 productiefactoren. Juiste combi: die dat de kosten minimeert. Bv land waar arbeid duur is, maar kapitaal goedkoop->dan ga je proberen dure arbeid te vervangen waar het kan door goedkoper kapitaal. Dus daar waar kapitaal voorhanden is, gebruikt men kapitaalsintensieve productietechnieken en in landen waar je veel goedkope arbeid hebt, zie je meer arbeidsintensieve technieken in dezelfde sector. Vb: als je op reis gaat naar Engeland, je hebt er veel minder tussenkomsten vd overheid op vlak van lonen, sociale zekerheid enz. In de regel is laaggeschoolde arbeid veel goedkoper dan op het continent. Bij ons in supermarkt: 1 kassa, mensen moeten aanschuiven, terwijl in Engeland heb je grote supermarktketens met meer kassa‟s (meer personeel) en soms heb je daar ook inpakkers (werken tegen lage lonen). Dus owv feit dat arbeid daar goedkoper is dan kapitaal, heb je een meer arbeidsintensieve productietechnologie. De keuze vd juiste productietechniek hangt vooral af vd relatieve factorprijzen. Belangrijk regeltje nog:

Dat de langetermijn totale kosten altijd kleiner zijn dan de KT-totale kosten, behalve wanneer inzet vd vaste productiefactor exact hetzelfde is als wat je zou doen op LT!

Reden niet moeilijk: op LT heb je meer flexibiliteit, mogelijkheid om alle productiefactoren aan te passen, juist zoveel inzetten die je nodig hebt tegen gemiddelde kosten die zo klein mogelijk zijn. Het feit dat je op LT meer flexibiliteit hebt, maakt dat de kosten op LT kleiner zijn dan de KT-gemiddelde kosten. Ook al heb je max flex, heb je in vele productieprocessen U-vormige verlopen van gemiddelde kosten. Omdat je schade-effecten hebt. 2 grote zones: schaalvoordelen (besparingen door schaal) en schaalnadelen/diseconomies of scale (omgekeerde van besparingen owv de schaalgrootte).

Schaalvoordelen: technisch kenmerk ve productieproces. Je

verhoogt alle productiefactoren met een bepaalde factor, dan stijgt de

Meer input levert u meer dan proportionele output op. Schaalelasticiteit: verhouding tss stijging vd output, gedeeld door procentuele toename vd input. Dat is altijd een procentuele toename van iets tov de procentuele toename van iets anders. Zo kan je schaalelasticiteit gebruiken om te kijken wat effect is van verhogen van inputs. Gemiddelde kosten dalen als er schaalvoordelen zijn. Dat is ook manier om te zien of er schaalvoordelen zijn. Waarom? Als je productiefactoren met 20% laat stijgen en hun prijzen blijven hetzelfde (arbeid verandert niet enz), dan stijgen de kosten ook met 20%. Maar als output stijgt met 30%, omdat je technische schaalvoordelen hebt, dan gaat de totale kost maar 20% stijgen. De gemiddelde kosten gaan dan een dikke 10% dalen.

Schaalnadelen: je verhoogt input met bepaald % en output stijgt met minder dan een bepaald %. Schaalelasticiteit is kleiner dan 1. Dan heb je productieprocessen waarvan men zegt: dat zijn constante schaaleffecten. Vooral productieprocessen die kleinschalig zijn. Bv naai-atelier: je kunt 1 naaimachine maar combineren met 1 bediener van naaimachine. Dat zijn productieprocessen die typisch constante schaaleffecten hebben. Je kan aantal machines ver3voudigen, is output ook 3x groter. De gemiddelde kosten zijn constant in dat geval.

Minimum efficiënte schaal Wat? In heel veel sectoren zijn er schaalvoordelen en die zijn belangrijk. De gem kosten dalen met het productieniveau. Er kunnen in BE slechts enkele krantenproducenten zijn bv minimumefficiënte schaal: kleinste outputniveau waarbij LT-gemiddelde kosten nauwelijks dalen. Oorzaken van schaaleffecten

Als je in sector wil instappen en je hebt zeer hoge vaste kosten, dan heb je meestal schaalvoordelen, want hoe meer je produceert, dan kan je die vaste kosten meer uitsmeren, bv netwerksectoren, oa Fluxys (gas naar distributiemaatschappijen). Alle kosten van dat bedrijf zijn bijna vaste kosten. In zo‟n sectoren heb je meestal enorme schaalvoordelen in vgl met de omvang vd markt. Er is maar 1 bedrijf, omdat er zo‟n grote schaaleffecten zijn. Software-ontwikkeling: dikwijls kleine bedrijven, maar je moet erin investeren en eens je die hebt: distributie enz kleine kosten in vgl met ontwikkeling vd software. Schaalvoordelen.

Research en development sectoren: grote vaste kosten, investeren en eens die investering is gedaan, dan worden de vaste kosten zeer klein. Bv farmaceutisch bedrijf, ontwikkeling van nieuwe molecule, dat kost miljarden. Maar eens je het product dan hebt ontwikkeld, de kost vh maken van die pillekes, dat kost bijna niets, dat is standaard chemische stuff dat op de markt beschikbaar is, doorgaans lage kostprijs daarvoor. In die sectoren is het aantal bedrijven heel beperkt.

Schaalnadelen: komt meer voor dan de voordelen. Beperkingen op management controle, hoe groter het bedrijf, hoe moeilijker het te besturen, de kosten te controleren.

Congestie: bv A‟pen met grote zeehaven, je bent gebonden aan de locatie vh bedrijf. Just in time productie kan al heel moeilijk in A‟pen, just in time: voorraden van grondstoffen minimaliseren en alles net op tijd proberen aan te voeren. De voorraad w op een mobiele wijze gehouden. Bedrijven die dat kunnen doen, kunnen hun kosten minimeren, want id voorraden zitten enorme sommen geld. Locatie die onderhevig is aan congestie: dan ben je onzeker wanneer uw camion gaat aankomen! Locatie probleem in A‟pen ondertussen.

Lees meer...

Beslissing tot produceren in korte periode

1. Kijken naar output die de winst maximaliseert. Is het sop de kool waard? Brengt een bijkomende inspanning genoeg op ivm kosten? Maximale winst wordt eigenlijk gerealiseerd wanneer de marginale kost net wordt gedekt door de marginale opbrengsten. Of je produceert of niet produceert, de vaste kosten heb je altijd.

2. Zolang extra baten groter zijn dan extra kosten, blijven we produceren. 2e stap op korte termijn is de stap die ziet of we uberhaupt gaan produceren of niet. Hangt af of de prijs op de markt voor de output al dan niet de variabele kosten dekt. Als de prijs die je krijgt per eenheid op de markt groter is dan variabele kosten, heeft het zin. Zolang de prijs die je krijgt groter is dan de variabele kost, gaan we produceren. We krijgen dan toch iets om de vaste kosten tenminste ten dele te dekken. Hoeveel produceren? De output waarbij de marginale opbrengsten = marginale kosten. S = short run, korte termijn!

Marginale opbrengst: opbrengst per extra eenheid. Bijkomende opbrengst gaat dalen, omdat C minder bereid is te betalen naarmate hij meer heeft.

1. Marginale calculus bepalen van winstmaximerende hoevMO = MK. Stel men produceert minder, een hoev lager dan Q1, wat is dan MO? Veel groter dan MK. Als je maar Q‟ produceert, moet je best meer produceren, want de extra opbrengst is groter dan extra kost. Dus je kan winst verhogen door extra produceren. Als je wat meer produceert, kan je meer kosten besparen dan dat je verliest.

2. Volgende stap: ga je produceren of niet? Verschillende gevallen mogelijk. Als P lager is dan SAVC1: dan stopt de productie, niets draagt bij om de vaste kosten te dekken. Hoger dan SAVC1: we kunnen variabele kosten dekken en we recupereren iets om de vaste kosten te dekken. Op KT zullen ondernemingen wel blijven bestaan. Sommige ondernemingen hebben hun deuren voor een aantal maanden toegedaan omdat ze de variabele kosten niet meer kunnen dekken. Ondernemingen op KT die met verlies werken. Je hebt ondernemingen die dat niet kunnen dekken en blijven werken omdat ze een stukje vd vaste kosten kunnen recupereren. In realiteit: bedrijven sluiten, verlies maken en toch blijven werken.

Marginale redenering: optimale niveau bepalen. Dan principe (2e principe dat hier uitgelegd wordt) principe van gezonken kosten: wat is dat? Vaste kosten, daar wordt id redenering weinig rekening mee gehouden, omdat men zegt: eens je ze gemaakt hebt, eens je productiefactoren in gang hebt gestoken die vast zijn, je moet die kosten toch maken, dus daarom noemt men ze gezonken kosten. Eens je de beslissing genomen hebt om bv fabriek te bouwen, heb je de vaste kosten zoiezo, gezonken kosten. Het zijn ook soorten kosten die je buiten beschouwing kunt laten op korte termijn.

Wat is typisch iets voor dummies? Goed geld achter slecht geld geven. We hebben al zoveel kosten gemaakt, als we nog een beetje toevoegen, kunnen we het redden. De kosten ih verleden kan je niet recupereren! Je moet durven te kijken alleen naar marginale kosten en opbrengsten in de toekomst!!! Als je dat niet doet, krijg je white elephants: projecten dikwijls door overheid ondernomen, voorbeelden van totale mislukking. Concorde: was spectaculair passagiersvliegtuig, daar zijn miljarden ponden ingestoken, vliegtuig heeft wel gevlogen, heeft ook transatlantische vluchten gedaan, heel snelle manier van verplaatsing, maar is nooit rendabel geweest. Reden: men zei altijd: we hebben er zoveel geld in gestoken, laat ons voortdoen om het toch te realiseren, dus men heeft altijd geld in dat vliegtuig gestoken, om het veilig te maken enz. Dat project altijd verlieslatend geweest, owv verkeerde redenering: gezonken kosten toch in rekening brengen.

In RS voorbeelden van rechters die gezonken kosten toch in rekening brengen! Niet efficiënt!

Lees meer...

Hoofdstuk 7 kosten en aanbod

Verband grensproduct-gemiddeld product. Het gemiddeld product bereikt max en het grensproduct gaat altijd door dat maximum! Als je nu een variabele input hebt, daaronder een as tekenen.

Eerst toenemend grensproduct en nadien afnemend. Neemt het grensproduct af: meer vd variabele input moeten inzetten om een extra eenheid output te realiseren.

De marginale kost is de kost ve extra eenheid. Niks anders dan de helling vd totale kostencurve of de helling vd variabele kostencurve. Extra kost die je oploopt wanneer je 1 extra eenheid wil produceren.

Enige factor die varieert, enige soort kosten die variëren is de helling vd variabele en de totale kost. De helling van die 2 curven is gelijk.

Lees meer...

wie draagt de belastingen?

Meeste goederen en diensten worden belast om andere dingen te financieren, bv publieke goederen, law and order, defensie. En een 2e rol vd overheid is herverdelen via sociale zekerheid.

Er is een groot verschil tss afrekenen ve belasting met een partij en dikwijls kiest overheid om belasting af te rekenen met aanbieders, dat is om admin kosten te besparen. Er zijn veel meer consumenten in vgl met aantal producenten. Wat is belang vh onderscheid?

Afrekenen ve belasting niet noodz betekent dat die de belasting uiteindelijk draagt of betaalt.

Veel belastingen zijn indirecte belastingen, die op een transactie worden geheven. Wat gebeurt er? Stel dat je belasting afrekent met de verkopers. Aanbodcurve verschuift naar links, als je dus de belasting heft op de producenten van sigaretten bv.

De belasting is 1,5 euro. Nieuwe evenwichtspunt is 4 euro bij verkoop van 325 mil stuks.

De prijs stijgt niet met de belasting. De prijs stijgt maar van 3 tot 4.

De producenten dragen anderhalf belastingen af ad overheid, de nettoprijs is 2,5 die ze ontvangen. Het grootste deel vd belasting wordt gedragen door C.

C draagt het grootste stuk vd belasting. Draagt 2/3e vd belasting, 1/3 voor P. Regel is dat wie de meest IE curve is, die draagt het grootste stuk vd belasting.

2e mogelijkheid: belasting innen via de kopers!

Beetje hypothetisch voor sigaretten. In principe zou je dat kunnen.

Voor andere producten is het best denkbaar dat je dat via de kopers afrekent. Wat als je belasting afrekent via de kopers? Mensen weten dat als ze een bepaald bedrag per eenheid geven, dat ze 1,5 zullen moeten afdragen ad overheid. Men zal minder vragen, vraagcurve verschuift naar links. De producent rekent 4 euro aan, maar hij ontvangt 2,5, de rest gaat naar de overheid. Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Het grootste stuk wordt weer gedragen door de producent, draagt 2/3 vd belasting omdat de prijselasticiteit vd vraag minder prijselastisch is dan de prijselasticiteit vh aanbod. 2 extreme gevallen: zeer prijsinelastische vraag, bv gewoontegoederen.

De totale belasting wordt gedragen door de consument.

Andere extreme is perfect elastische vraag: de verkopers die de volledige belasting dragen.

Bepaling van elasticiteiten: veel technieken, belangrijkste: econometrie: verzameling van statische technieken.

Jan Tinbergen. Grondlegger van econometrie, heel de familie Tinbergen is uitzonderlijk begaafd.

Lees meer...

Aanbod elasticiteit

Bij aanbod: minder varianten die men definieert. Meestal 1

elasticiteit: prijsgevoeligheid aanbod = aanbodelasticiteit.

Regel: aanbodcurve: positieve helling: doorgaans een positief getal.

Factoren die de AEL beïnvloeden:

Goederen die beroep doen op unieke productiefactor: inelastisch aanbod. Bv een schilderij van Van Gogh. Er zijn maar beperkt aantal. Dus Q is vast! Dus de mogelijkheden van substitutie is zeer belangrijk!

Analyse van 1 of andere markt op korte termijn, je houdt enkel rekening met onmiddellijke reactie, op korte termijn, als P toeneemt, niet veel reacties in Q.

Maar op middellange termijn, je hebt productiefactoren die variabel zijn, je kan mensen laten overwerken of technisch werkloos stellen, dus reactie als de prijzen voor een bepaald product veranderen.

Op LT zijn alle productiefactoren variabel, bv een grotere fabriek bouwen of er 1 sluiten.

Zie ook productiegedrag

Perfect elastisch aanbod. En perfect inelastisch aanbod; dat zijn 2 grensgevallen.

Lees meer...

Wat zijn bv gevolgen ve prijsdaling?

zijn. V is prijselastisch. Als je daar tarief laat stijgen->gevraagde hoeveelheid->meer dan proportioneel afnemen.

Als je meer inkomsten wil, kan je beter de tarieven verlagen dan verhogen.

2e geval: reizigers die vast zitten aan openbaar vervoer, weinig alternatieven, in dat geval: vraag naar ritten op die lijn is inelastisch, door tarieven te laten stijgen, kan je de inkomsten verhogen. Oogsten: mislukte koffieoogst in Brazilië. Wat ziet men? Enorme daling in de oogst door vorst, volume dat op de markt kan w gebracht. Het is prijsinelastisch, mensen drinken koffie uit gewoonte en bij zo‟n prijsinelastische vraag: als kwantiteit daalt, heeft het een meer dan proportioneel effect op de prijs = enorm effect op de prijs. Resultaat is vaak dat de beperkte oogst tg zeer hoge prijzen wordt verkocht, kan soms zijn dat mislukte oogst tot hogere opbrengsten leidt voor boeren. Dus mislukte oogst niet noodzakelijk minder inkomen. Succesvolle oogst kan leiden tot daling in totale opbrengsten.

Fallacy of composition: met oogsten duidelijk: het hebben ve mislukte oogst kan een drama zijn, omdat er veel concurrenten zijn, prijselasticiteit is elastisch. Als daar iets gebeurt met zijn oogst, wat hij niet verkoopt, wordt verkocht door de andere. Mislukte oogst voor 1 landbouwer is een ramp, als de totale oogst mislukt is, is dat niet echt een ramp. Vraag op lange termijn is altijd elastischer dan op korte termijn.

Bv als je prijselasticiteit naar vraag v benzine bekijkt op periode 3 maanden, zie je dat vraag naar benzine prijsinelastisch is. Weinig alternatief. Als je dat bekijkt in 1 jaar, zijn er mensen die beslissen om een andere auto te kopen en dan kiezen voor diesel. Er zijn meer substitutiemogelijkheden voor de mens, naarmate de periode groter is.

Er zijn andere determinanten vd vraag, ook die gevoeligheden aan die factoren kan je uitdrukken in elasticiteit. 1 vb: kruiselingse prijselasticiteit: als een prijs ve bepaald goed J wijzigt met een bepaalde percentage, wat is dan effect op goed I? Bij een substituut is KP positief. Als prijs van T stijgt met 1%, stijgt de vraag naar koffie. Als je complementen hebt bv, dingen die samen worden gebruikt, dan is de kruiselingse prijselasticiteit negatief, omdat het ook duurder is de combinatie te gebruiken.

KP‟s zijn moeilijk om te schatten. Maar het wordt gedaan. Inkomenselasticiteit is makkelijker te meten.

De normale goederen: positief. Als de inkomen stijgt, stijgt ook vraag naar het goed in kwestie. Inferieure goederen: niet het geval. Negatief meestal.

Normale goederen vaak gesplitst in 2 soorten: 1 soort: basisgoederen. Bv voeding, kleding, inkomenselasticiteit is kleiner dan 1. 2e categorie: luxegoederen: ook normale goederen, maar inkomenselasticiteit groter dan 1, zijn gevoelig aan inkomenswijzigingen, bv electronica, buitenlandse reizen. Kan ook veranderen over tijd, bv auto‟s waren vroeger luxegoed. Luxegoederen zijn doorgaans conjunctuurgevoelig. Schommelingen in luxegoederen zijn meer proportioneel dan conjunctuurschommelingen.

Lees meer...

Wat bepaalt de prijselasticiteit?

Belangrijke determinant: beschikbaarheid van substituten. Als je een goed hebt met veel substituten, is de vraag elastisch. Bv merk benzine. Daarvoor zijn andere merken beschikbaar. Prijselasticiteit naar 1 merk benzine: prijselastisch, vele substituten ter beschikking. Vraag naar benzine in zijn geheel: minder prijselastisch omdat er minder substituten zijn, dan is het diesel of olie.

Dingen die je kan missen, bv skivakantie: prijselastisch, prijsgevoelig.

Hoe enger je een goed definieert, hoe meer substituten en des te prijselastischer de vraag.

Hoe belangrijker een goed is bij C, des te prijsgevoeliger. Tandpasta: redelijk prijsongevoelig en producenten spelen daarmee. Maar bv een auto, daar begin je te vergelijken enz. Kortingen vaak bij producten die prijselastisch zijn. De prijs is belangrijk. Andere dingen die prijsinelastisch zijn, daar is meer reclame die product differentiëren. Dan spelen producenten niet in op de prijs, maar op het product zelf.

Laatste puntje: hoe langer de tijd verstrekt, hoe prijselastischer het wordt. Zie vb van roken!

Een inkomensgevoelig goed is doorgaans ook prijsgevoelig. Wanneer inkomens schommelen, schommelt ook de vraag naar exotische vakanties. Dat type vakantie is ook zeer prijsgevoelig, er is veel prijscompetitie tussen producenten.

Prijsinelastische vraag: vraag naar basisproduct. Aanbod verschuift naar rechts->grote prijseffecten, maar beperkte kwantiteitseffecten. 4.2 prijs, gevraagde hoev en totale bestedingen (of omzet)

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen