Menu

Sofian Bouazzaoui

Sofian Bouazzaoui

De landsheerlijkheden in het oude Lotharingen 11de – 13de eeuw

Alle andere landsheerlijkheden (behalve Artesië) die tot de latere Zeventien Provinciën behoorden, vormden oorspronkelijk Lotharingen. In de 11de eeuw kende dit gebied nog volop een wordingsproces. Die achterstand ten opzichte van Vlaanderen was te wijten aan de Duitse koning die nog reële macht uitoefende, met zijn rijksbisschoppen van Luik (= wereldlijk territorium; bleef verbrokkeld en onsamenhangende en bleef buiten de Zeventien Provinciën), Utrecht (= diocees dat ongeveer de huidige Nederlanden beslaat, bisschop kreeg ook een wereldlijk gebied, namelijk het Sticht) en Kamerijk (= wereldlijk gebied, het Kamerijkse).

Het Concordaat van Worms in 1122 bepaalde echter dat de Duitse koning geen bisschoppen meer kon aanstellen en hen geen wereldlijke macht meer kon geven. Dat betekende dat de Duitse vorst minder macht kreeg in de Lage Landen. Soms waren er Duitse vorsten die in onze gebieden macht wilden hebben in de praktijk, zoals ze die in theorie bezaten, vb. Frederik I Barbarossa. In het algemeen echter, waren de Duitse vorsten te veel op Italië gericht en kwamen ze op die manier in conflict met de pausen en met de machtige Noord-Italiaanse steden. Uiteindelijk zou de strijd tussen de Hogenstaufen en de Welfen er voor zorgen dat er volledig een einde kwam aan de macht van de Duitse vorsten in onze gewesten.

De landsheerlijkheden groeiden, net zoals Vlaanderen, vanuit een versterking dat samenging met een commercieel centrum. Zo kwamen ze met elkaar in contact; vaak militair, maar ook via huwelijkspolitiek.

Lees meer...

De voorsprong van Vlaanderen 11de – 13de eeuw

Het ontstaan van het graafschap Vlaanderen werd in het vorige hoofdstuk reeds besproken. In dit gebied had de leenman twee leenheren, namelijk de koning van Frankrijk en de Duitse keizer. Hieruit blijkt dat de trouw aan de leenheer ondergeschikt is aan de eigen belangen. Bovendien gingen de machthebbers in Vlaanderen zich door de expansie in Lotharingen ook mengen in de machtsstrijd daar.

In de 11de eeuw was Vlaanderen al enige volgroeid. Het bewijs daarvan is dat in het bestuur het systeem van kasselrijen werd ingevoerd met aan het hoofd burggraven. Deze laatste zijn feodale heren die het gezag van de landsheer vertegenwoordigen. Het gebied was dus onder controle. In de 11de eeuw namen de graven maatregelen om het gebied te ontwikkelen. Er kwam een stedelijke groei, wegen en kanalen werden aangelegd en stadskeuren werden afgekondigd. Bovendien stond Vlaanderen ook voor op institutioneel, economische en cultureel vlak.

Lees meer...

Politieke versnippering tussen dynastieke, aderlijke en burgerlijke belangen

De politieke geschiedenis tussen 1000 en 1300 is een compleet onoverzichtelijk lappendeken van gebieden en gebiedjes. Deze versnippering is ontstaan door dynastieke politiek en toeval. Een aantal van deze gebiedjes konden groter worden en werden zo landsheerlijkheden. De macht wordt er gekenmerkt door de overlevingskracht van centraal gezag, de verhouding in de verschillende gebieden tussen de landsheer, adel en stedelijke top en de samenwerking of tegenstelling tussen de verschillende gewesten onderling.

In deze periode kende de economie aanvankelijk een laagconjunctuur, dan kwam er een stijging die alweer gevolgd werd door een daling. De politieke verhoudingen hingen samen met economische en sociale veranderingen: In de economie was er een toenemend belang van handel en ambachtelijke nijverheid en bovendien kreeg de stad een grotere betekenis dan het platteland; Op monetair vlak werd er meer en meer betaald in geld; op sociaal vlak was er een overgang van horigheid naar relatieve vrijheid. Bij heel deze verandering waren drie soorten deelnemers betrokken. Enerzijds waren er de landheren. Zij behoorden tot een hoge adellijke familie en hadden de titel van graaf of hertog. Ze hadden onafhankelijke landsheerlijkheden en ze waren aan de vorst enkel gebonden door rituele trouw, ze waren hem verder geen rekenscha verschuldigd. Anderzijds was er de kleine adel. Deze groep bezat een of meer dorpen en streed voortdurend om meer macht. Als laatste groep was er de stedelijke burgerij die ontstond door de groei van steden en ze deed aan andere activiteiten dan aan landbouw.

Lees meer...

De periode van de landsheerlijkheden (11de – 13de eeuw)

Tussen de 11de en de 13de eeuw ondergingen de Nederlanden een metamorfose op politiek, economisch, demografisch en religieus vlak? Door de politieke versnippering konden en aantal feodale heren centraal gezag verwerven en zij werden landsheren. Er kwam bovendien een groei van de steden door de toename in handelsvolume en bevolkingsstijging. In de kerk kwamen er onder impuls van Gregorius VII hervormingen en de kerk werd een functionele organisatie. Het cultureel monopolie van de kerk werd echter doorbroken door de opkost van de burgerij.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen